Hans van Wingerden
In de greep van het dualisme.
Met de term polariteit worden wij regelmatig om de oren geslagen. Het zou wel eens het meest gebruikte woord van dit jaar kunnen zijn. De meesten onder ons begrijpen evenwel nauwelijks waar het vandaan komt en wat het dualisme, de oorsprong van de tegenstelling, met ons doet. Tijdens de afgelopen verkiezingen, in de politiek en in verschillende maatschappelijke geledingen, wordt het door allerlei media gesignaleerd en maakt weer haarscherp duidelijk dat de polaire tegenstellingen die door onszelf gecreëerd worden, een kloof veroorzaakt tussen het een en het ander. Er wordt niet begrepen dat het de wortel is van hoe wij met elkaar omgaan, met als resultaat de vaak beschamende vertoningen. De meesten doen het af als dat het simpelweg in de mens zit, alsof die eigenschappen je helaas overkomen of dat jij je er niet aan bezondigd, maar de ander wel. Maar de afscheiding van de mens, waar het dualisme het gevolg van is, zorgt voor een staat van ontheemding, van vervreemding, van angst en afzondering, waar geen ego in zou willen wonen, maar toch doen we dat. Zelfs als we niet aan polarisatie denken te doen, dan nog speelt dit op de achtergrond mee! Daar zit een enorme discrepantie in omdat deze ongelukkige situatie zelf door de mens wordt ingericht. Het dualisme of in zijn uitwerking de polarisatie is zo’n factor, maar er zijn andere factoren die daar weer het gevolg van zijn. Dat is in de wereld der verschijnselen, onze gecreëerde werkelijkheid, waarvan we denken dat het een mogelijkheid is om niet afhankelijk te zijn van de dingen buiten onszelf. Dat het individuele ‘ik’ daarmee juist met deze opsplitsing wordt opgezadeld, voltrekt zich buiten het gezichtsveld of zelfs het dagelijks bewustzijn, zodat het zelf zich er volledig ongeremd instort.
Het essentiële gegeven welke aan de uitwerking van het dualisme vooraf gaat is de afscheiding van de oorspronkelijke bron van leven, die een vervolg krijgt in de opdeling tussen het ik en de ander, waar weer andere opdelingen zoals racisme, nationalisme, kolonialisme uit voortkomen. Of andere uitsluitingen die door het opkomend fascisme worden gefaciliteerd. Deze dualistische deling is al eens behandeld (in blog 51). Het levert een ontwrichtende gespletenheid op, die de mens gijzelt en in desintegratie (zie vorige blog) vastzet. Wat is er voor nodig om de gebonden partijdigheid voor de keuze van een van de polen, te doorbreken? Het omschrijven hoe het functioneert alleen is niet voldoende, maar kan een volledig inzicht, een volledig waarnemen daarvoor zorgen?
Dat vereist een diepgaand onderzoek wat de kenmerkende greep, die de dualistische staat op ons heeft, te ontcijferen. Volledige waarneming komt alleen tot stand in de omgeving van het ongemanifesteerde, alles wat zich buiten het gebied van de zintuigen bevindt, in samenspel met het andere deel, de manifestatie van verschijnselen (onze zintuigelijke wereld). Het blijft wel afhankelijk van het individu of het individuele bewustzijn. Want wat waargenomen wordt is immers niet onafhankelijk van het verdeelde bewustzijn en laat dan schijnvoorstellingen toe. De mens laat zich al snel verleiden zich te focussen op het zintuigelijk gedeelte van het bewustzijn, maar laat zich daarmee voor de gek houden. De non-lokale wereld is op zichzelf niet anders dan onze wereld, alleen dat onze veronderstelling, die voor de afscheiding zorgt, ons belet om een eenheid tot stand te brengen tussen het gemanifesteerde en het ongemanifesteerde, het tijdsgebondene en het tijdloze. Het is voor het bewustzijn wezenlijk geen verschil, het is slechts schijn. En de mens houdt deze schijnwereld in stand. We hebben al eens vastgesteld dat er geen verschil bestaat tussen de fenomenen object en subject, omdat het weliswaar een conceptuele tegenstelling laat zien, maar die verdwijnt zodra de dualistische staat wegvalt wanneer de tegenstelling wordt opgeheven. De toestand handhaven betekent dus de conceptuele werkelijkheid in functie laten, terwijl het slechts een veronderstelling is. In de slaap stopt deze conceptualisatie zodat er geen beïnvloeding meer mogelijk is. Daarin zijn geen zintuigelijk waargenomen objecten, geen wereld van manifestatie, slechts een relatieve staat van bewustzijn zonder ingreep van het denken. Er is in de slaap geen sprake van een verschil of onderscheid vanwege de totale afwezigheid van concepten.
Het is interessant om na te gaan hoe de perceptie (dat wat de geconditioneerde staat aanbiedt) in de praktijk in zijn werk gaat. Verschillende denkers zoals Krishnamurti hebben in een studie daar aandacht aan besteed door dit aspect van waarneming als een beperkte vorm aan te merken. De mens beziet de werkelijkheid niet zoals het is; waarneming staat in zijn totaliteit weliswaar niet los van de werkelijkheid, maar beziet alleen bepaalde aspecten van het object, omdat het op de mentale voorstelling van de realiteit is gebaseerd en maar gedeeltelijk overeenstemt met het object. Het resultaat is dat het dus geen pas geeft om je medemens voor te houden dat jouw bewering de werkelijkheid weergeeft of een waarheid betreft, omdat er alleen maar een vrijblijvende uitwisseling van gedachten of ideeën kunnen bestaan.
Aan de gewone waarneming schiet veel tekort en er ontbreekt een fundament van waarheid, namelijk de onderliggende essentie van het onverdeeld bewustzijn. Gewone perceptie vindt dus plaats in het verdeelde bewustzijn en is dus uitermate vatbaar voor impressies met een teneur die bepaald worden door het geconditioneerde bewustzijn. Voorbeelden te over in deze tijd die door de vluchtige media worden voorgeschoteld en vaak als propaganda voor een bepaalde zienswijze geldt of de tegenstander als vijand afschildert. Een duidelijk voorbeeld is in dit verband het populisme wat in deze tijd zo opspeelt. Het is een niet weg te denken structuur geworden om allerlei maatschappelijke onvrede tot een gedachteconstructie om te vormen, die vervolgens weer geconditioneerde meningen opleveren. Dit wordt veroorzaakt doordat de perceptie plaats vindt in het verdeelde bewustzijn, wat uiteraard niet zo ervaren wordt, maar scherp een dualistische oordeel laat zien, waarin het ene object zich opstelt tegenover het andere object. In het werkelijke non-dualisme, die we ook kunnen omschrijven als de eenheid van de dualiteit, bestaat het persoonlijke oordeel niet langer, bestaat het ene object niet meer tegenover het denkbeeld van de object/subject relatie. Er vindt dus ook geen gesublimeerde identificatie plaats die onderscheid aanbrengt tussen het ene object en het andere. Het intellectuele denken is niet in staat deze scheidslijn op te heffen, zodat het wordt geaccepteerd als een verschijnsel in onze werkelijkheid. De illusionaire werkelijkheid wordt gewoon zo begrepen, omdat het individuele bewustzijn als werkelijk wordt ervaren (ik denk dus ik ben). Zo ziet het ego het, die het pseudosubject in zichzelf ervaart. Wederom tijd om een uitspraak van de Indiase filosoof Ramesj Balsekar aan te halen, die stelt: “Het biedt daarmee wel de mogelijkheid voor een resonantie (gevoelens) van het psychosomatisch apparaat want, doordat het pseudo-object geïdentificeerd is met het lichaam ontstaat de confrontatie met het niet-ik, de ander of de natuurlijke vijand, het denkbeeld dat het zijn individualiteit kan vernietigen, zodat het verzet evident is”. Vandaar dat in de dualistische betekenis een wederzijdse doordringing, het kennen van de ander, in principe niet echt mogelijk is en alleen, al naar gelang de omstandigheden, in een volledige aandacht door oprechte waarneming plaatsvindt. Kijk maar eens naar de zin: ‘met oprechte deelneming’, wat suggereert dat we door oprechte waarneming de grens kunnen oversteken. Als doorwrochte inleving niet kan plaatsvinden, veroorzaakt deelneming in een partiële relatie, een potentieel conflict tussen de twee polen. Met andere woorden het onvolledig waarnemen wat eigen is in onze werkelijkheid, wordt vrijwel constant overschaduwt door een mate van perceptie. Het beperkt het volledig waarnemen en er is zelden een open hart die vriendschap zoekt in verbinding met de rest van de wereld. In familieverband lukt het vaak nog wel, maar in de wereld om ons heen is het meestal veel oppervlakkiger of nog erger.
Hoe kan de mens, zich in harmonie manifesteren in een relatie tot elkaar, als er sprake is van een conflict die pas ontstaat als het verschil in conditionering tot zijn uitwerking komt. In een wereld van eigenbelang is het door de vrijwel voor de hand liggende keuze van het zelf boven de ander, uiterst moeilijk om het samengaan van percepties te laten plaatsvinden. De omgang in relaties betekent dat er een ruim begrip nodig is in wat percepties door de verschillende conditioneringen zou kunnen behelzen. Je kunt het ook zo stellen dat de relatie tussen twee pseudo-objecten, in aanmerking genomen dat de beschreven hindernissen, gevormd door verwerkte en onverwerkte indrukken uit het verleden, een oorzaak zijn voor bepaalde emotionele turbulentie, van onbegrip tot conflicten.
Ramesj Balsekar komt tot de conclusie dat de relatie tussen het pseudo-subject en het object, wat wij in verscheidenheid ook beide zijn, een zintuigelijke indruk achterlaat bij ieder tegemoetkomend subject afzonderlijk. Hij merkt op dat de relatie zich in een kosmische energiestroom afspeelt, die het ene object verbindt met het centrum van het tegenoverliggende subject. Staat het kosmische energie-ontvankelijke entiteit open voor een energetische overdracht, dan komt het in dit geval aan in het subjectieve operationele centrum. Het resultaat is dat het in plaats van het illusionaire objectieve centrum van het pseudo–object, wordt doorgeschoven naar het subjectieve centrum van gewaarzijn. Een afwijzing door het geadresseerde object zorgt voor een andere resonantie, een andere connectie, waardoor de energetische waarde niet kan aankomen in het centrum van het subject, maar wordt afgeleid naar de buitenzijde. Dat is het gevolg van de interpretatie in de wereld van verschijnselen, de werking van de Maya, wat ook kan resulteren in een opkomende verleiding voor een primaire interpretatie van onlustgevoelens, die een potentieel onbegrip voor het onbekende herbergt. De waarneming is onvolledig omdat wat, naar de buitenkant wordt weggeleid, ongesigneerde gevoelens zijn, die tot onbegrip leiden. In de buitenwereld kan het mogelijkerwijs tot een conflict in het subject (waarnemend object) komen, omdat de energie in beide aspecten hetzelfde is in de confrontaties met de andere objecten. De oorzaak dat beide objecten niet kunnen samenkomen ligt in de afgescheidenheid die zich naar binnen keert, naar het pseudo-subject zelf en een polariserende tendens veroorzaakt. Het subjectieve bewustzijn ondervindt vanuit het zelf weinig ondersteuning, zodat het objectieve operationele centrum (het actieve denken) de functie van waarnemen overneemt en andere signalen in het bewustzijn niet doorkomen.
Het subjectieve “Ik”, je oorspronkelijke zelf, wat je ook als je ziel kunt kenschetsen, wordt dus door de zogenaamde objectieve ik-identiteit (het pseudo-object) overschaduwt. Het is opmerkelijk dat het ‘valse’ waarnemen, het volledige waarnemen wegdrukt. Het is niet zo dat het bewustzijn zelf wordt gescheiden, maar de focus in de richting van de illusionaire wereld staat geen brede vorm toe, tenzij inzicht de intrede doet. Bij jonge kinderen is het nog ambivalent aanwezig, zodat het oorspronkelijke Zelf nog kan doorsijpelen, maar na het ongeveer achtste jaar, als de conditionering van de buitenwereld volledig binnenkomt, wordt de non-lokale wereld niet meer ervaren en de deur dichtgeslagen. De basisstructuur blijft dezelfde, maar onder invloed van de Maya verandert het overwicht ervan.
Als de mens zijn identificatie aangaat en het ontstaan van de afgescheiden vorm tot ontwikkeling komt in zijn persoonlijke zelf, is het gevolg daarvan dat de mogelijkheid sterk wordt beperkt om tot een wederkerige respons te komen met een andere entiteit of de buitenwereld. Dit komt omdat de buitenwereld tot vijand wordt gemaakt, zodat de eenheidsmanifestatie van het Absolute, geen invloed meer uitoefent op het individu. De identificatie met het individuele zelf, verhindert dus dat er een eenheid ontstaat, zodat de tegenstelling van het zelf en het niet-zelf (het persoonlijke) op gang komt, wat het fundamenteel dualistische raamwerk vormt voor het concept van de manifestatie (Maya), zoals tijd/ruimte ook zo’n concept is. Het individu begrijpt niet dat deze gecreëerde werkelijkheid een reflectie is in het bewustzijn van het pseudo-subject. De reden dat ervoor zorgt dat het individu en de buitenwereld elkaar niet kunnen doordringen, is dat angst en afkeer van onzekerheid om als individu zichzelf te verliezen, wat indirect vernietiging van het ego zou betekenen. Dit is de feitelijke reden dat we ons vastklampen aan de wereld van verschijnselen omdat, hoewel het een leven van conflict en lijden is, het een betrekkelijke zekerheid biedt tegenover een nog grotere onzekerheid van de vernietiging van het zelf. Ondanks alle mislukkingen van zijn individuele verlangens zoekt de mens bevrijding van zijn lijden en gebondenheid. Hij zoekt bevrijding voor zichzelf als individu, maar is nooit in staat die bevrijding te bereiken, zolang het zoekt vanuit het oogpunt van het individu.
Volledig of onbeperkt waarnemen is dus intuïtief weten of handelen, het onmiddellijk waarnemen van de totale Manifestatie van Bewustzijn en de gelijkheid (eenheid) van de non-dualiteit. Maar de mens vertrouwd er bijna nooit op, als we er al notie van nemen en voor de meesten, die iets dergelijks ervaren, wordt het gezien als iets ongebruikelijks, een soort onbeheerste weerkaatsing van iets wat diep in jezelf verborgen ligt, maar het heeft niets te maken met wat je denkt te zijn. Sporters, kunstenaars, muziekbeoefenaars kennen dit wel als een soort tranche, waardoor het lijkt dat het denken is uitgeschakeld en de intuïtie het overneemt. We zijn zo vertrouwd met onze zintuigelijke waarnemingen dat we het quasi objectieve bestaan als normatief zijn gaan zien. De oorzaak ligt dus in het misverstand dat de mens zich afsluit voor het subjectief waarnemend centrum, dat het functioneren van het ongedefinieerde Bewustzijn (Universeel Bewustzijn) is en zich identificeert met het objectieve psychosomatisch apparaat (lichaam en geest), waarmee hij waarneemt. De mens vergeet dat gewaarzijn het werkelijke waarnemen, een aspect van zijn oorspronkelijke staat is en dat de afgescheiden toestand van zijn oorspronkelijkheid berust op de vergissing van het psychosomatisch mechanisme.
Blog 68 (22-10-2025)
Desintegratie, de oorzaak van ontwrichting?
In de vorige blog heb ik het gehad over de integratie, een vorm van beoordeling over wat het leven leuk maakt, waar het kind al snel in het jonge leven de voorkeur aangeeft, omdat desintegratie een onbegrepen waarheid van het leven, voornamelijk de ondergang zou betekenen. Wanneer ons de keuze in het latere leven wordt voorgelegd, geven wij ook altijd de voorkeur aan dat de zoektocht naar vervulling of integratie, wat in het leven altijd neerkomt op de vermeende toestand van geluk. Het is zo stevig in de psyché van de mens verankert dat met de keerzijde, de afkeer van desintegratie, wat door de veelal geprojecteerde angsten en het geluk te missen in een desastreuze vorm van onheil wordt voorgesteld.
De beginfase van de ontwikkeling van het intellect wordt dus gekoppeld aan de associaties van bepaalde ideeën, die veelal corresponderen met de toepassing van taal. Hoe dat ontstaat wordt getoond in de voorstelling, als een kind eenmaal gewend is aan het voorlezen van een verhaaltje voor het slapengaan, met een sterke voorkeur voor een thema met een aardige afloop en daartegenover een gevoelsmatige afkeer van verhaaltjes die geen goede afloop laten zien (dood of geesten). Sprookjes lopen ook altijd goed af. Door de toegepaste taal die aan het kind wordt doorgegeven, creëert het zijn eigen wereld. De feiten die uit de ‘werkelijke wereld’ komen en die vaak wel een slechte uitkomst hebben, worden in de fantasie tot een persoonlijke voorstelling omgevormd, zodat het van de ’objectieve’ buitenwereld nogal kan verschillen. Je kunt dit beschouwen als een louter waarnemen van de subjectieve buitenwereld, die mede gevormd wordt door gedachten, die in het raamwerk van het intellect in de keuze van het woord tot uitdrukking komen. Er behoeft eigenlijk geen uitgesproken woord aan te pas te komen, want het wordt voornamelijk gevormd door een innerlijke monoloog, waardoor een belevingswereld ontstaat. Als we dan de twee tegenoverliggende begrippen willen hanteren zoals integratie en desintegratie, die eigenlijk de polariteitenwereld weerspiegelen, die tegelijkertijd een kosmologische eenheid of evenwicht vormen. We moeten het ene als belangrijkste samenbindend element en het andere als een ontbindend element zien. Rames Balsekar formuleert het daarom op een wijze dat het de structuur vormt van onze denkbeeldige verbale wereld (micro kosmos). Dat wil zeggen dat het eenzelfde evenwicht door de rede van de twee tegendelen in balans gehouden wordt. De ene is het ik-gerichte, conservatieve desintegrerende structuur met de subjectieve betekenis, en het andere een niet op het ik-gerichte, afwijkende, integrerende structuur zonder de nadruk op de subjectieve betekenis. Hij gebruikt hiervoor een voorbeeld om het toe te lichten hoe onze gedachten zich het idee vormen van de werkelijkheid. Je kunt dit opmerken in de taalkundige zin van: ‘De dokter bezoekt de zieke’. Daarin ontstaat er niets wat onze gedachten belet om de situatie te verstaan. Maar in de zin: ‘De dokter bezoekt een terrarium’, wordt een andere beweging in het bewustzijn opgeroepen, die in de betekenis tegengesteld is en een met de buitenwereld gerelateerde associatie heeft. De toestand is niet geheel inzichtelijk en moet verder worden verkent. Er is geen twijfel mogelijk dat de afwijkende structuur in de taal onderdeel is van de aard der dingen, die pas ontstaan in een bedachte omgeving die geen relatie meer hoeft te hebben met de werkelijkheid. Zo ontstaat een vorm van een gedroomd denkbeeld of een dagdroom. Zelfs de scheidslijn tussen een droomtoestand en een dagdroom is niet helemaal helder omdat de verscheidenheid van objecten, tijdstippen en locaties ongeordend door elkaar lopen, volkomen onverschillig ten aanzien van de conventionele opvatting van ruimte-tijd. De regels van de logica zijn als het ware zelf niet logisch, omdat ze onlogische verbanden leggen tussen de dokter en een eventuele hagedis, die niet verdwijnen als de dromer ontwaakt, maar het ook niet op een rationele manier kan verklaren wat hij gedroomd heeft.
Het belangrijkste wat dit aantoont is dat de mens zich in het algemeen niet bewust is van het feit, dat terwijl de ene zin betekenis voor hem heeft en begrepen wordt, de andere zin niet, maar beide een intrinsiek onderdeel zijn van het denkproces. De mens heeft door zijn voorkeur voor een beperkende conformering die het op jonge leeftijd heeft ontwikkeld, in denken en spreken, wat een onderdeel is van het verdeeld bewustzijn. Dit is niet zozeer voortkomend uit een onbewust gewoontepatroon, maar uit een duidelijke partijdigheid voor de convergerende orde en een bevestigende manier van al dan niet vermeend correct begrijpen. Dit als gevolg van wat de ogenschijnlijke wereld voorstelt. We zien dit wezenlijk als veel belangrijker dan het ongewenste gebrek aan betekenis van de divergerende manier. Deze partijdigheid, die je volstrekt logisch kunt vinden, is onmiskenbaar gekoppeld aan het dierlijk aspect van ons psychosomatisch apparaat dat iedere desintegratie van zijn organische structuur van de hand wijst. Daarmee zijn we uitgekomen bij de samensmelting van de mens met de onderverdeling van de drie naturen. Te weten: de levenloze, de instinctief dierlijke en de natuur van het hogere denken, die onderling van elkaar afhankelijk zijn in hun manifestatie en gelijktijdig functioneren. Dit maakt gewag van wat de mens in zijn keuzes, bijvoorbeeld in de hedendaagse staat van de politiek laat prevaleren.
Wat betekent dat in de praktijk? Dat wij als samenleving een gemiddeld breed spectrum aan opvattingen etaleren. Daarin liggen zowel integrerende als desintegrerende bestanddelen in besloten. Het integrerende zoekt een samenvoegende orde die vaak het onbehagen uit de weg gaat en een poging doet een proces op gang te brengen die tot doel heeft de maatschappelijke waarde te verbeteren en te versterken. Daarin zit ook een algemeen belang waarin weinig onderscheid gemaakt wordt tussen de ene persoon en de andere. Het zoekt dus een evenwicht die de natuurlijke dualiteit, de eenheid zoekt en benaderd. Er is daarin sprake van een losmaken van het persoonlijk voordeel, die a priori stimulerend werkt en opkomt voor het algemeen belang. In het desintegrerende zit het tegenovergestelde, het zoekt dus het dualisme, de keuze tussen het een of het andere, het belang van het individu, of van een groep in de samenleving. In die scheiding, afkomstig uit de dualiteit, prefereert de mens het eigen belang boven de natuurlijke eenheid van de dualiteit. Daarin zijn veel scheidingsvormen gevat die dus eigenlijk niet bestaan, zoals goed en fout, allerlei veronderstellingen die de mens in maatschappelijke, of religieuze zin een dwangperceptie opleggen. Dit laat tevens het desintegrerende aspect als een logisch concept aannemen. Dit komt ook tot uiting als we mensen straffen voor hun uitglijden en voor boetedoening opsluiten met het idee dat zij hiervan leren of dat er een afschrikkende werking vanuit gaat. Omdat het ene desintegrerende aspect met het andere bestreden wordt, werkt meestal niet.
Nu terug naar aangeleerde fase van de ontwikkeling van het kind, waarin het integrerende aspect onder normale omstandigheden verheerlijkt en het desintegrerende wordt buitengesloten. Het zou veronderstellen dat de mens dit meeneemt door de rest van het leven heen. Dat is maar ten dele waar. De dood wordt bijvoorbeeld als het toppunt van desintegratie zo veel mogelijk buiten gehouden, maar in veel andere gevallen worden allerlei vormen van desintegratie zowel door de mensen onderling als de door de overheid regelmatig ingezet. (zie vorige alinea) Bovendien wordt de taal, die als de belangrijkste instructieve werking geldt, mede door de tijd bepaald, daar veelal als middel gebruikt wordt en zich in een glijdende schaal voordoet. Een bekend voorbeeld is de leider van een populistische partij, die voornamelijk met desintegrerende modellen werkt, op een zeker moment een zeer dualistische opmerking maakt tegen zijn gevolg om te suggereren dat hij de macht heeft om een bevolkingsgroep te kunnen uitsluiten. Deze uitspraak luidde: “Wilt u meer of minder Marokkanen, minder? Dan gaan we dat regelen”. Dat is een krachtig middel om via taal desintegratie in te zetten om een persoonlijk doel, namelijk invloed en macht, te verwerven.
Vluchtelingen, zo stelt deze populistenleider, staan niet open voor integratie, een woord wat in dit zinsverband al snel door allerlei groeperingen wordt overgenomen. Maar is dat zo? Als de mens vlucht uit een zeer desintegrerende situatie, zoals oorlog en destructie, zal het zich in een nieuwe situatie inzetten om integratie te bereiken, teneinde het gevoelsleven tot rust te laten komen. Deze groep staat dus uitermate open voor integratie. Taal is daarvoor een belangrijk middel om in de nieuwe maatschappij snel tot werkbaarheid te komen. Dit wordt volledig onderschat. Mensen opsluiten in een centrum, soms jarenlang zorgen voor een slechte bijdrage. Bij de groep zogenaamde economische vluchtelingen ligt dat anders. Deze personen maken geen kans te mogen blijven en dat bevordert bij voorbaat desintegratie. Maar ook hun eventuele integrerende opstelling wordt gedwarsboomd door allerlei factoren zoals lange procedures, nietsdoen, discriminatie et cetera. Dat zorgt voor een ondermijning, waardoor desintegratie door vele maatschappelijke groepen, die zich onder de nationalistische hoed verschuilen, op de loer ligt. De term desintegratie wordt in dit geval gebruikt om alle vluchtelingen te stigmatiseren met als doel de desintegratie in de maatschappij te bevorderen. De ene vorm van desintegratie wordt gebruikt om de andere aan te pakken.
Maar wat zorgt er dan voor dat het zo'n aanhang krijgt? Dat ligt iets complexer. Het kind gaat uit van integrerende mogelijkheden, waar desintegratie alleen voorkomt in geval van verstorende situaties, intern in het gezin of extern door oorlog en geweld. Maar in het positieve geval kan de conditionering en de daaruit voortkomende vastgezette opvattingen een draai laten zien omdat nieuwe conditioneringen een greep krijgen in de ontwikkeling van het individu. Veel van de opvattingen liggen op zichzelf niet vast, maar kunnen in de verschillende stadia van het leven weer anders gevormd worden. Hoe ouder de mens wordt, hoe groter de kans dat deze opvattingen zich vastzetten als overtuigingen. Veel opvattingen worden dus bepaald in de conditioneringen, die in het leven plaatsvinden. Daarin volgen allerlei onverwerkte gevoelens een patroon ten aanzien van de maatschappij, het gevoel van welzijn, kansen voor ontwikkeling et cetera. Een belangrijke factor hoe het individu zich in het leven gerealiseerd, hoe het gewaardeerd en geaccepteerd voelt. Nu komen we op een heikel punt, omdat allerlei aspecten in het persoonlijke leven bepalend kunnen zijn om gevoelsmatig voor desintegratie te kiezen. Dit is niet zozeer een bewuste keuze als een gevoelsmatige, zeker als het leven niet heeft opgeleverd wat ervan verwacht werd.
Nu komen we op het terrein van maatschappelijk functioneren en in het verlengde, de politiek. Aanvankelijk was de mens na de WO2 positief gestemd, het land moest worden opgebouwd, niet iedereen had bezittingen, het was een tijd van integratie. Men stond open voor eensgezinde oplossingen, veelal linkse partijen streefden met hun solidariteitsideologie naar een behoorlijke betaling voor arbeid, woningen en welzijn. Dat lukte geruime tijd, al ging het niet altijd makkelijk. De omslag ontstond toen de maatschappij in de greep van het liberalisme kwam, die vrijheid van de mens suggereerde wat vooral inhield om de burger alle kans te geven zich te ontplooien. Maar al snel werd ontplooiing verwisseld met verrijken. Het kapitalisme kreeg daarmee een opbloei waar een aantal mensen op de wereld van profiteerden, maar de meesten niet. Vrijheid is geen ongeremde materiele vervulling van behoeften, die de medemens beperkingen oplegt. Het zou een gezamenlijke groei in verbinding en persoonlijke ontwikkeling moeten zijn.
Wat is de uitwerking nu van het mislukte project neoliberalisme? Dat de maakbare mens, die zo gepropageerd werd, niet bestaat. We hebben allemaal een vervolg in het leven die als een tijdlijn verbonden is via onze staat van bewustzijn naar een groei van een hoger bewustzijn. Daarin spelen de omstandigheden in totaliteit geen belangrijke rol, voor het persoonlijke zelf uiteraard wel. De materiele bepaaldheden waarin de ene mens wel mee gezegend is of juist niet, is dus niet langs een liniaal te leggen, maar afhankelijk van aspecten die een hoger doel dienen.
Wat zijn dan de effecten voor de maatschappelijke beleving als de mens dat niet kan of wil begrijpen? Als we het model van de maakbare mens en zijn persoonlijk onvervulde behoeften en verlangens daarin meenemen, dan zien we dat grote groepen mensen, niet zozeer aan de zijlijn staan, maar geen bevredigend beeld van hun leven kennen. Dat heeft een belangrijke oorzaak in gevoelens van gepasseerd, niet gezien worden of geen gelijke kansen krijgen. Daarmee zijn ook de tegenstellingen van lager en hoger geschoolden al aangegeven, vooral materieel, waar de mens in de afscheiding zo gevoelig voor is. De hoger geschoolden hebben een veel groter aandeel in de deelname van welzijn, al is de misvatting dat je welzijn voornamelijk kunt kopen tot groteske proporties opgelopen. Er zijn veel meer van dit soort ongelijkheden die een divergerende manier van participeren in de weg staan. Als er dan een populistische leider opstaat die op desintegrerende wijze de taal benut als ingang van de gevoelde onvrede is de aanhang verklaarbaar. Zoals al gesteld is populisme in tegenspraak met wat het woord doet vermoeden, altijd desintegrerend omdat het met valse motieven de aanhang het gevoel wil geven aan hun wensen tegemoet te komen.
In deze tijd van verkiezingen wordt er veel met taal gegoocheld om de stemmer voor een partij te winnen en van politieke doelen te overtuigen. De waarheid bestaat niet omdat het subjectieve waarnemingen zijn en neerkomen op de perceptie van de waarnemer. De stemmer neemt waar, maar is subjectief verbonden met zijn opvattingen en gekleurdheid van zijn conditioneringen. Veelal is het een materieel hopen dat de partijpolitiek, de aan hen zo beloofde oude wijn in nieuwe zakken, zal vervullen. De opvattingen zijn door de dualistische tegenstellingen al zo in beton gegoten dat, hoewel ze de belofte natuurlijk niet kunnen nakomen, ze een deugdelijke samenwerking eerder uitsluiten dan nieuw leven in blazen. Democratie die er juist op uit is om de tegenstellingen de overbruggen of soms zelfs te negeren omdat het doel wat samenwerking heet, te laten functioneren. Ooit heette dat polderen. Nu zijn door de heftige ego-aanscherpingen de verschillen zo uitvergroot dat samenwerking vrijwel niet meer mogelijk lijkt. Wat doet taal ertoe in dit verband? Dat is nogal duidelijk, omdat in de voortgaande schoffering van menselijk toestanden nooit tot oplossingen leiden. Menselijke toestanden zijn er om het bewustzijn verder te brengen in een oplossingsgerichte beweging, de neuzen dezelfde kant op te krijgen, wat integratie heet. Namelijk het openstellen voor samenwerking en daarin de eenheid te vinden.
Blog 67 (07-10-2025)
Hoe ontwikkelen we het denkvermogen?
We missen iets omtrent het begrip van het functioneren van bewustzijn in relatie met de verschillende episoden van ons leven. Het gereedschap daarvoor is ons denken, handig, maar het zit ons soms danig in de weg. Willen we bovendien leren begrijpen dat er diepere lagen in de mens verborgen liggen, die verder gaan dan het eigen waarnemingsniveau, dan zullen we er moeite voor moeten doen om daarover kennis en inzicht te verwerven. Het brein is daarvoor in eerste instantie de uitgelezen modus om dat te doen, om te begrijpen wat de verschillende aspecten van het leven betekenen. De misvattingen waar de mens, zo tegenstrijdig als wat, zo aan gehecht is, zorgen ook voor veel onstabiliteit en wanorde, die vooralsnog weinig aanleiding geven tot een bewuste herinterpretatie. De afgescheiden staat van de mens verklaart wel wat de mens aan disruptie teweeg brengt, maar niet zozeer waarom de mens dat zo doet!
Hoe ontstaan deze misvattingen en hoe worden overtuigingen aan het individuele bestaan eigenlijk vastgeknoopt? Vaak wordt gedacht dat het wel door de genetische samenstelling zal zijn bepaald. Maar we voelen ook wel aan dat het op een of andere manier met de ontwikkeling van het brein verweven is. Krijgen we het bij de geboorte mee of dringt het op een bepaalde leeftijd het brein binnen om later als een vastomlijnde overtuiging naar buiten te komen met het idee dat de eigen mening altijd klopt en de mening van de ander meestal niet. Daarin zit niet alleen het ongeaccepteerde tegenovergestelde, het systematische dualisme in, maar ook dat dit mechanisme voor vrijwel alle entiteiten op aarde gemeengoed is. Kunnen we dat eigenlijk wel doorzien?
Laten we eens bij het begin beginnen hoe het kind vanaf het prilste stadium het menszijn ervaart en in latere stadia steeds meer moet figureren in een geënsceneerde wereld waarin het besef van het oorspronkelijke zelf, het intuïtieve onbewuste steeds verder uit zicht raakt.
Een pasgeboren baby heeft nog geen intellect en dus nog niet. De ontwikkeling van het denkvermogen is een geleidelijk proces wat we, als we het opgroeiende kind beschouwen, allemaal kunnen waarnemen en het als vanzelfsprekend aannemen. Wat het verloop van de achterliggende voortgang op dit gebied ook laat zien, leidt nauwelijks tot algemeen besef hoe de ontwikkeling van het kind precies voltrekt. Willen we beter begrijpen wat bij onszelf ook ooit ten deel gevallen is, zullen we dat moeten overdenken. Dat verreist een beter inleven in deze ontwikkeling en in de semantiek, van taal ten opzichte van de gedachten. Het betreft ook de ontwikkeling van het bewustzijn wat door de wetenschap als een moeilijk te bevatten terrein voor onderzoek beschouwd wordt. De opvatting blijft meestal steken in de aloude beredenering dat het uitsluitend in het brein zetelt en langzaam tot ontwikkeling komt.
Dat laatste klopt op zichzelf wel, al laat het niet het complete beeld zien. Het denken ontwikkelt zich ongeveer vanaf twee jaar, soms wat later, afhankelijk van de omstandigheden. Een pasgeboren baby beschikt alleen nog maar over een denkniveau die min of meer vergelijkbaar is met een dier, zodat het noch begripsmatig noch logisch is. In dit vroege stadium lijkt het een eenvoudige staat, omdat het nog geen conditionering heeft ondergaan, wat wil zeggen dat het begripsvermogen op een laag pitje staat omdat beelden alleen worden waargenomen op het specifieke moment die nog niet verbonden zijn met het geheugen. Deze opslag van ervaringen in het geheugen zijn dus essentieel om het begripsvermogen van een lading te voorzien en op latere leeftijd het in een bewuste levensvorm in te bedden. Op zeer jonge leeftijd functioneert het alleen nog op de achtergrond, binnen de natuurlijke dualiteit. Door de gelijktijdigheid van de verschillende bepaaldheden die weliswaar elkaars tegenstelling zijn, ontstaat langzaam de situatie dat harmonie en disharmonie, convergentie en divergentie, naast elkaar bestaan maar niet bewust ervaren worden. De baby doorziet het oorzakelijke verband niet van een gebeurtenis omdat zowel het een als het andere in een totaal balans van onwetendheid is gevat. Het jonge denkvermogen is er dus nog niet klaar voor.
We kunnen dus zien dat de baby, omdat het nog geen denkvermogen heeft, niet wezenlijk verschilt van een dier. Het leeft van moment tot moment, het huilt wanneer het honger heeft vanwege het feit dat ongemak die op het geboorte moment al in het leven komt, een impuls geeft. Het heeft nog geen gevoel van dualiteit die pas jaren later komt als het intellect zich ontwikkeld. Als het kind groter wordt is het door zijn denkvermogen in staat onderscheid te maken tussen het zelf en zijn medemens, tot dan toe de ouders, broers en zusters (en grootouders). Ook zal het vanaf die tijd een begrip ontwikkelen die onderscheid aanbrengt welke omstandigheden hem ongemak of pijn bezorgen en welke tevredenheid of stabiliteit. Het zal dit onderscheid zien als een aanvaarding van integratie van de tot dan toe beperkte wereld om het kind heen. Tijdens die ontwikkeling komen ook impulsen van het oorspronkelijke Zelf, die in het onbewuste zetelen, langzaam en ongemerkt aan de oppervlakte. Deze worden gevoeld in het totaal aan beleving, die op latere leeftijd minder sterk ervaren worden als het kind de buitenwereld geheel in zich heeft opgenomen.
Dan komen we tot de constatering dat het denken van het jonge kind, net als een dier, beperkt is tot zijn reactie op de waarneembare wereld, zijn zintuigelijke behoeften en uiterlijke omstandigheden. Pas wanneer het bewustzijn toe gaat nemen en zich gaat identificeren met zijn individuele zelf, gaan de abstracte denk- en levensprocessen geleidelijk aan een plaats innemen in het brein, een proces waarbij hij ook ‘zijn onschuld’ verliest. Als het kind dus gaat denken en tot de staat komt dit denken in woorden uit te drukken, legt het tegelijkertijd verbanden tussen woorden en de voorheen abstracte voorstellingen, die geleidelijk aan doorzien worden en betekenis krijgen. Het wordt langzaam bewust van zijn eigen individualiteit die we als een neurologische blauwdruk kunnen beschouwen. In deze toestand komt ook de eigen tonaliteit aan het licht, wat voor een beginnende verankering zorgt in het ontwakende ego, als onafhankelijke entiteit, maar ook en dat is belangrijk, van het groeiend besef van de tweedeling tussen het ik versus de ander. Deze acceptatie van de dualistische opstelling wordt als het ware automatisch overgenomen van zijn omgeving. De ontwikkeling van het zelfbewustzijn zorgt voor het besef van het ‘ik’, maar gelijktijdig ook voor de tweespalt dat de ander nooit hetzelfde kan zijn dan wat jij bent. De vasthoudendheid aan dergelijke opvattingen, die bovendien in zijn leefmilieu bijdragen aan de stringente opvattingen in zijn latere leven, of in afwijzing van de ander, of in de volkomen acceptatie ervan, kunnen in enkele gevallen zelfs tot extremiteiten leiden. Een bekend voorbeeld is de president van de VS, de heer Trump, die al op jonge leeftijd aangestuurd werd om het uiterste succes uit het (materiele) leven te halen. Dit is vaak de aanvang van de eerste en belangrijkste conditionering die evenwel door ervaringen in slechte omstandigheden ook tot diepe trauma’s kunnen leiden.
Als een jong kind, in aanvang van zijn leven aldus zijn denkvermogen ontwikkelt, stelt het hem in staat zich nog van zijn psychosomatisch bewustzijn af te zonderen, in de zin dat hij zijn lichaam nog niet als een kant en klare zelfstandige identiteit beschouwd. Het afzonderlijk beoordelen van zijn psychosomatisch apparaat is slechts een gedeelte van wat hij in zijn jonge bewustzijn ervaart. Hij zegt bijvoorbeeld na een val, van “mijn knie doet au’’ of “ Sam is geen jokkebrok”. Hij begint zich later pas te identificeren met het operationele centrum (de ervaring van het functioneren van zijn bestaan). Dit betekent enerzijds een bevrijding van zijn lichamelijke begrenzingen, maar ook een beginnend idee van wat hij van het leven kan verwachten. Het is een licht ontwaken van een pretentie die voorzichtig richting geeft aan de conceptualisatie van de ongekende mogelijkheden van het bestaan.
Het kind in dit stadium heeft objecten nodig om de zintuigen te prikkelen en te activeren, om het kunnen waarnemen in wisselende omstandigheden, het betasten, voelen, beleven, et cetera. Ook zal het onderscheid die door de acceptatie van integratie met zijn omgeving en de afwijzing van desintegratie voor de buitenwereld, hoewel het besef daarvan illusionair is, gevormd worden. De betekenis vindt plaats door hetgene wat in de ondervinding van het moment in omzetting naar het gevoel, ervaren wordt. Een van de grootste Indiase denkers Jnanesvar, schreef in zijn Amritanubhava, zo’n 700 jaar geleden een verhelderende analyse hoe gedachte door een procesgang met het woord structuur krijgt. We kunnen dit zien als het conceptualisme, hoe begripswaarneming ontstaat, die afhankelijk is van de beheersing van taal. In het begin is het kind daar nog niet van doordrongen, omdat het in zichzelf leeft, maar later ontstaat het als een bewustwordingsproces, hoe door de ontwikkeling van het intellect, het zijn voortgang maakt. In het primitieve denken zijn woorden nog symbolen waarin bepaalde voorstellingen worden opgenomen. Dat gebeurt wanneer het opgroeiende kind deze symbolen begint te associëren met woorden, die door de mensen rondom hem heen gebruikt worden. Wat dus ontstaat door middel van de herkenning in de taal, is tegelijkertijd ook het startpunt waarna de conceptualisatie plaatsvindt.
Dat stimuleert andersom ook het intellect (denken) en zorgt in deze ontwikkeling ook voor symbolen die in de wereld de objecten vertegenwoordigen, waardoor het een relatie tussen objecten en symbolen laat ontstaan. Deze semantische symbolisatie, het proces van ontwikkeling tussen gedachten en woorden, om uitdrukking te kunnen geven aan begrippen, zorgt voor een gevoel van samenhang die het kind in de buitenwereld tegemoet treedt en hem later van pas komen. Het is een gevoel van samenhang die betekenis en inzicht geeft in het streven naar het evenwicht op psychosomatisch niveau (zelfvertrouwen). Op dit niveau ervaart het kind zijn lichaam als zijn eigen behuizing, als een geïntegreerd object, waar het een schijnveiligheid aan ontleent. Op psychisch niveau ziet het de bevestiging van zijn bestaan gloren aan de symbolische integratie die zich manifesteert in het samenspel van gedachten en voor uitdrukking zorgt door middel van de spraak (woorden).
Vanaf dit moment begint het de ervaringen in het brein op te slaan en begrippen van een naam te voorzien en vindt de conditionering plaats. Het gaat steeds verder in de zoektocht naar integratie met zijn omgeving, om tot een harmonieus gevoelsleven te komen die het hanteren kan. Daarin ligt besloten dat het een denkbeeldige macht over zijn eigen wereld door middel van gedachten en woorden kan scheppen, zodat de ongewenste disharmonie en desintegratie buitengesloten kan worden. Dit is een essentieel punt in de wording van het bewustzijn.
De subjectieve wereld, die het kind om zich heen schept, om het spelmoment mee te nemen in de ontwikkeling van het intellect, wat tevens zorgt voor een steeds bevestigende manier van denken omtrent de toestand van veiligheid in zijn bestaan. Maar op een losse manier omdat het zich nog niet geconformeerd heeft aan de positie van het ego. De gebeurtenissen die nog in een verzonnen wereld plaatsvinden, wijken nogal af van wat de omgeving voorspiegelt. De ontwikkeling van het denken gebeurt geleidelijk door het beoordelen van de verwerkte ervaringen door middel van woorden en begrippen, van objecten binnen de door het zelf geprojecteerde leefwereld.
Gedurende deze ontwikkeling komt het ineens, door een of andere omstandigheid, ook het fenomeen van de dood tegen. Dit is de meest basale vorm van desintegratie, die voor die tijd geen rol speelde. De ontdekking van het einde van leven komt samen met andere ontdekkingen zoals de onafscheidelijke tegengesteldheden die zich reeds voordoen, namelijk het gevoel van blijheid of verdriet, uitingen van spontaniteit en geremdheid, situaties van acceptatie of van afwijzing, et cetera. Het kind komt steeds vaster te zitten in de polen van het ongelijke dualisme en begrijpt daarnaast geleidelijk aan ook dat het leven een beperkt verloop heeft. De dualiteit die van oorsprong een evenwichtige bepaaldheid kent is tot dualisme geworden; de harmonie is vrijwel verdwenen en neigt tot onacceptabele tegenstellingen. Hij aanvaardt in eerste instantie gevoelsmatig nog de dwingende functie van de eenheid in de natuur, maar verwerpt de aspecten die in zijn optiek het leven beperken. Deze ontwikkeling laat zien dat de mens, wat hij in zijn jonge leven tot zich neemt en meedraagt, bepalend zijn voor zijn omgang met zijn lichamelijke en geestelijke staat, een beleving die onvermijdelijk de desintegratie moet laten welgevallen, ondanks zijn afwijzing. Afhankelijk van wat zijn omgeving hem aanreikt, kan het dus zijn dat het kind in zijn latere leven de dood als een eindig fenomeen ziet en het als de belangrijkste vorm van desintegratie gaat zien.
In de beginfase van het kind kent het deze problemen niet omdat het zich uitsluitend bezighoudt met het leven van moment tot moment. Vele spiritueel georiënteerde mensen zoeken naar dit ervaringsbesef, maar die staat nog ver af van de spontane onbewuste instelling van het kind. Want op het ogenblik dat het ontluikende bewustzijn zich identificeert met de individuele vorm, wordt de ik-identiteit het leven ingeleid en komt het intellect tevoorschijn, die gedachten, processen, concepten en ervaringen, door woorden in beweging zetten, waarmee ook de problemen beginnen. Ik hoef niet uit te leggen wat voor fnuikende invloed de computerspelen met agressieve voorstellingen voor invloed hebben. De jeugd moet behoed worden van allerlei lichamelijke afbraak, zoals roken of drinken, maar wat ze geestelijk voor kwalijke invloeden te verstouwen krijgen, is zeker zo desastreus! Het kind zoekt constant de bevestiging van zijn bestaan wat voor een belangrijk deel zijn individualiteit moet voeden, waar die informatie ook vandaan komt. Dat betekent dat het jonge kind voordien niet bewust was van zijn identiteit en er geen denkprocessen waren die deze problemen konden aansturen. Het denken creëert dus de problemen vanwege het dualisme tussen het ik en het niet-ik (de ander). Dat is waar dergelijke computerspelen dus steeds aan refereren. De ander wordt vanaf een bepaalde tijd als vriend of zelfs als geliefde gezien totdat het later vermoed dat het een vijand is.
Als het individu op enige gevorderde leeftijd zijn leef en denkwereld uitbreidt (boven de acht jaar), om deze bevindingen op te doen, is het persoonlijke ‘ik’ al afgescheiden van zijn oorspronkelijke bron, waardoor het dualistische bestaan zich voordoet. Het dualisme is vanaf die tijd altijd een ontkenning van verbondenheid van de onderlinge afhankelijkheid van de tegendelen (dualiteit). Dat wil zeggen dat de medemens vanaf die leeftijd al als tegenfactor wordt gezien en in deze beleving de concurrent of de hinderpaal vormt. De verbondenheid die harmonie zou kunnen brengen, wordt door de ontkenning van de universele eenheid buiten de bestaansopvattingen gehouden. Het levert vanaf dat moment een bestaan op van het pseudosubject, zoals Ramesh Balsekar het noemt, het object van disharmonie en conflict, veelal ongevoelig voor de ellende van de medemens en vaak zelfs de medemens de schuld geeft van zijn onbehagen. Daarom is het waanzin om binnen de context van het expanderend dualisme, harmonie en geluk te verwachten. Als de reactie daarop aanstuurt, is het gefrustreerde individu, in een constante uitbreiding van het ‘ik’ en is de ander, een object in zijn pseudo werkelijkheid, die in een constante oppositie verkeert. Ziedaar hoe de hedendaagse mens voorop gaat in polarisatie!
Blog 66 (06-09-2025)
Wie is wie?
We kwamen in de vorige blog tot de conclusie dat de zoeker die meer wil weten over wat het bestaan inhoudt, tevens het gezochte is omdat het een niet afwijkt van het andere en beide in het zelf te vinden is. Het is een vaststaand gegeven welke voortkomt uit het kosmologisch bestaan van de totale eenheid. Maar het door de mens gewenste afscheiding, die zich manifesteert in het dualisme en heeft zich ontwikkeld naar de grimmige polarisatie van deze tijd, die een steeds sterkere ontwrichting oplevert. Ook al is het, sinds mensenheugenis van alle tijden, de afscheiding zorgt voor extremen zodat de ene groep van mening is dat de andere groep niet langer mag bestaan.
Het begrijpen wat deze fatale scheiding behelst, dat door vrijwel geen individu wordt gezien, laat staan wordt erkent, als een wezenlijk aards tekort en nog interessanter, dat inzicht en erkenning een voorwaarde kan zijn om als mens verder te komen. De nogal eens geciteerde Maharaj zei herhaaldelijk dat begrijpen ‘wie het ik’ is en wat het in de wereld bewerkstelligt, het belangrijkste is wat je kunt doen om te onderzoeken. Als iemand hem een vraag stelde, beantwoorde hij dat met een wedervraag namelijk, ‘wie is het die de vraag stelt?‘. Met andere woorden: Wie realiseert zich eigenlijk wel wie je denkt wie je bent? Dat betreft het gecomponeerde, geconditioneerde zelf waar we zo behoeftig naar zoeken of op een andere wijze, waar de ego vertoningen van overlopen tot irritatie van onze medemens. Wie kan het bestaan binnen de context van ruimte/tijd begrijpen en snapt waarom het een verschijnsel is in het bewustzijn? Binnen deze omschrijving spelen onze ervaringen van wie we zijn, de confrontaties met het zelf de belangrijkste rol, maar omdat het een illusionaire wereld is, wordt het ‘ik’ ook met een gigantisch onechte positie opgezadeld.
Vanaf het begin der tijden, wat voor de gestage volgorde van de evolutie zorgde, kan er nooit een entiteit zijn geweest die een ‘ik’ was. Het Absolute bestaan van een Hogere signatuur waardoor we bepaald zijn, komt een ‘wie is wie’ niet voor. Het kan alleen verschijnen in de wereld die we het mechanisme van de relativiteit kunnen noemen, een psychologisch proces, waarbij de verscheidenheid van objecten (alles wat bestaat) gecreëerd worden als beelden in het bewustzijn, zodat de mogelijkheid ontstaat tot vergelijking. Deze verschijnselen aarden en manifesteren zich omdat het de enige vorm van de relativiteit is in de wereld van verschijningen, die de op ruimte/tijd gebaseerde driedimensionale werkelijkheid laat zien. Dat zoekt evenwel constant naar de tegenoverliggende positie en veroorzaakt daar de beoordeling van al het andere wat ‘het zelf’ waarneemt. Dit is de ontwikkeling van de dualistische potentie die in polarisatie zijn bestaansgrond reflecteert.
Op het vlak van verschijnselen zijn er uitsluitend waargenomen objecten, maar het functioneren van de manifestatie in illusie verreist dat in elk object ook een waarnemend subject aanwezig is. Dus wordt de veronderstelling gemaakt dat ieder object het subject is ten opzichte van alle andere objecten. Daarmee is de afscheiding een feit en laat dan zien hoe het concept ontstaat, maar laat tevens zien dat het geen waarde heeft en dus een leeg concept is.
Dat zorgt voor een enorme weerstand, wat het begrijpen in de weg staat en wordt veroorzaakt door allerlei dwangmechanismen, die de mens zelf in het leven heeft ingesteld. Hoe de gecreëerde identiteit zijn rol in de samenleving moet vervullen, naast het feit dat zijn conditioneringen uit de verschillende fasen allerlei aanpassingen vragen ten aanzien van het gedrag, orde en gezag. Het is waarschijnlijk ook onrealistisch om te veronderstellen dat een mens zich zonder een persoonlijke ontwikkelde individualiteit zou kunnen handhaven, zoals de vele rollen die in het leven ongemerkt aan hem toebedeelt worden, zoals vader, moeder, echtgenoot, op het werk en in vrijetijd. Er bestaat immers een enorme druk om het leven volgens bepaalde normen te kunnen vormgeven en handhaven.
De termen die betrekking hebben op de autonome ontwikkeling van mensen vieren hoogtij, zoals de maakbaarheid van het leven steeds heftiger wordt onderstreept. Daar komt dan bij dat het vrijwel onmogelijk is te beseffen waar het werkelijk omdraait, als je eenmaal bent vastgehecht aan de opdringende ideeën die schijnbaar moeten passen bij je identiteit en vooral ook hoe je gewend bent geraakt om je bewustzijn niet langer te bevragen wat je medemens zou kunnen zijn. Laat staan dat je de ander ervaart in de eenzelfde constitutie van jezelf. Als de volgzaamheid aan de algemeenheid van termen, zoals ‘jezelf willen zijn’, je leven gaat bepalen, is je identiteit een farce. Nog belangrijker, kan er dan nog behoefte zijn om te begrijpen wat de volmaaktheid van de eeuwige staat wel niet is? Het heeft immers de neiging om het individuele bestaan af te zetten tegen een concept dat eigenlijk op dezelfde gronden als leeg moet worden beoordeelt. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat de persoonlijke identiteit geen vaststaand gegeven is, doordat indrukken veranderen als de persoon in verschillende situaties onbewust van gedrag wisselt.
Daarin zijn een aantal aspecten te onderscheiden die aan de persoonlijkheid vastkleven. De indrukken die de mens opdoet zijn vaak verschillend omdat de gebeurtenissen nooit vergelijkbaar verlopen. Deze worden door het geheugen als grove herinneringen opgeslagen en worden vervolgens in verschillende stadia met enige regelmaat opgeroepen. Want omdat deze herinneringen slechts in de vorm van een selectie worden opgeslagen, kan het niet anders dat op basis van deze relatieve maatstaven, de werkelijke gebeurtenissen vertekenend worden. Een ander aspect is dat kennis, die het gevolg zijn van bepaalde afspraken (consensus) onderhevig worden aan de verscheidenheid van voorgestelde meningen en daarna worden opgeslagen op basis van hernieuwde bepalingen en symbolen. Voor ons brein is het zo een gemakkelijke vorm van indeling. Zij het dan dat het vaak niet meer is dan een samenvoeging van zintuigelijke waarnemingen waardoor het wel een compleet beeld lijkt, maar niet is. Objecten en gebeurtenissen krijgen door emoties of op ongefundeerde gronden een nieuwe betekenis met vage contouren van behagen of onbehagen. De logische conclusie is dan nogal stuitend, omdat het denken zich door allerlei gemakzuchtige impulsen de halve waarheden tot zich neemt en tot hele waarheden representeert. De individualiteit is niet alleen een verschijning in het bewustzijn, maar is in de praktijk van het leven ook als een vaag omlijnde abstractie aan te merken die uit geselecteerde indrukken van geselecteerde gebeurtenissen bestaat.
Het is niet zo verwonderlijk dat ervaringen als de vage abstracties door het brein worden opgeroepen en tot verval komen alsof het een exacte weergave van het voorval wordt ervaren. Zoals de kwantumfysica het noemt, is het een verval van mogelijkheden, die binnen het denkvermogen tot overtuigingen worden. Deze worden weer binnen dezelfde processen als ervaringen van gebeurtenissen (eventueel via media-uitingen) selectief opgeslagen. Maar omdat de mens dat niet realiseert, krijgen de opgeroepen relatieve ervaringen het kenmerk van een bepaalde waarde die het denken van de persoon eraan hecht, terwijl het niet meer is dan een mening die door de constructieve aard van de breinprocessen hoogstens vrijblijvend is. Eigenlijk is het verbijsterend dat deze ontdekkingen die door de wetenschap al langer geleden zijn gedaan, niet verder tot de mensheid zijn doorgedrongen zodat de fnuikende resultaten dagelijks in het openbare leven merkbaar zijn. Kennelijk wil de mens daar niet aan en is de Absolute Waarheid minder geliefd dan wat de manifestatie van verschijnselen voorspiegelt.
Als er geen ‘wie’ is, (en dus geen ik) en de zintuigelijke werkelijkheid bestaat slechts uit de gemanifesteerde objectivering van het Absolute subject, waarom bestaat er dan interesse van het individuele bewustzijn in een losmaking van de object/subject relatie? Ramesh S. Balsekar stelt dan ook, waarom zo geïnteresseerd in “iets” wat we in het geheel niet kennen. Want als we het oorspronkelijke zelf observeren lost alle verbeelding van de personificatie op in de totale heelheid van het tijdloze nu, het totaal van het Hoger Bewustzijn. Of zoals Ramana Maharshi het al aangaf, dat in werkelijkheid het persoonlijke geen entiteit vertegenwoordigt, die noch gebonden is of bevrijd moet worden.
Dat zullen we ons moeten realiseren. We zullen ons moeten losmaken van de verslavende werking van de wereld van verschijnselen die behalve de gehechtheid aan het leven, voornamelijk gerelateerd is aan materiele zaken die ook het constant verslavende verlangen doet ontstaan. Het is dus nodig om te begrijpen dat onze verhouding tot de illusionaire werkelijkheid ons beperkt door wie wij denken te zijn. Dat draagt het vermoeden in zich dat het bij voorbaat al een verlies van het zelf betekent. Wat werkelijk is, gaat aan de mensheid, die ontstaat door de omarming van het dualisme, voorbij. Als deze waarheid doordringt, omdat in het begrijpen daarvan de afwezigheid van het individu gestalte krijgt en het inzicht ontstaat dat elke leermethode of oefening onzinnig en niet relevant is. Als dit inzicht diep genoeg is voorziet het vanzelf van het antwoord op de vraag ‘wat moet er met het ego gebeuren’. Wanneer de verschijningsvorm van het ‘ik’ onafscheidelijk zou zijn van het bewustzijn, wat de mens onbewust pretendeert, zou het eveneens een objectieve uitdrukking zijn van het ongedefinieerde bewustzijn. Dat zoekt de mens wel, maar doordat de gezochte methode een leeg concept is, kan het niet zorgen voor een bevredigende staat.
Wanneer ons bewustzijn actief is nemen wij onszelf binnen de manifestatie van verschijnselen als een individualiteit waar, via de ontwikkeling van het ego, een verzelfstandiging van het individu, die voor de verstrooide mens daar een onvermijdelijk het gevolg van is. Indien ons bewustzijn in rusttoestand is, zijn wij niet bewust van eigen bestaan (slaap). Er kan alleen een manifestatie zijn als er een waarneming is van iets wat wordt waargenomen. Dat kan alleen bestaan in ons idee van de werkelijkheid, dat wil zeggen in het ruimte/tijd besef, welke gevormd wordt door de driedimensionale werkelijkheid. Dit is het dualisme die in het bewustzijn van het individu, de wereld van verschijnselen creëert en deze waarneembaar maakt door de miljarden psychosomatische apparaten zoals we de levende entiteiten op deze planeet kunnen noemen. Ik neem deze term over van Ramesj Balsekar, omdat het zuiver weergeeft wat het ‘wie’ eigenlijk presenteert. De dualiteit is een bestaande eenheid (eb en vloed) en het dualisme conceptueel, in die zin dat het Absolute en de wereld van verschijnselen gescheiden worden in het dagelijks bewustzijn. In de echte werkelijkheid is er geen gescheiden situatie waardoor het concept van dualisme niet werkelijk bestaat en het dus zoals genoemd, leeg is. Het is bijna niet te bevatten dat de mensheid nog steeds niet doorheeft dat allerlei manifestaties in onze dagelijkse werkelijkheid, van politiek, maatschappelijk welzijn of sociale factoren die een heftig vastbijten in het dualisme veroorzaken. Dat zorgt voor een enorme tweespalt, die mensen tegen elkaar opzet en voor een constante verarming van het geestelijk welbevinden zorgt, die het bewustzijn verder omlaag brengt. Het doet mij denken aan wat Lao-Tse (600 v. Chr.) in de Tao in zijn eerste karakter al voorspiegelt: “Het onbenoembare is de oorsprong van hemel en aarde; benoemd is het de moeder van tienduizend dingen. Verlost van verlangen, zien we het mysterie; maar vervuld van verlangen, zien we alles gemanifesteerd”.
Nog maar eens: het Absolute drukt zich tevens uit binnen het raamwerk van ruimte/tijd ofwel dat het zich uitdrukt in de subjectieve vorm die het Absolute is. Onze opvatting is dat we het objectieve in onszelf eigen gemaakt hebben, maar deze misvatting zorgt voor verlies van de aangeboren eenheid van het kosmisch bestaan. Onze staat, het besef van wat ons welzijn, ons kader van geluk en ongeluk is, ontstaat als gevolg van de identificatie, wie of wat wij zijn of wat we willen zijn. De door de mens, zo gewaardeerde institutionalisering van het pseudo-subject, wat de uitwerking is van de illusie in de manifestatie van verschijnselen (Maya). De vereenzelviging met een denkbeeldige entiteit is de oorzaak van alle strijd en ellende, vaak aangeduid met de aardse gebondenheid. Deze gebondenheid suggereert een onvermijdelijkheid, waar alleen dieper inzicht kan ons bevrijden van de denkbeeldige conditionering die zonder dat zich niet kan onttrekken aan het dualisme van de perceptie.
Dit zijn vrijwel ongekende denkbeelden omdat we geen waarde hechten aan een begrip die ons los kan maken van de gebonden relatie van de werking van de manifestatie. Daarin zijn zoals vaker genoemd de materialistische verslavingsvormen de belangrijkste oorzaak die, hoewel denkbeeldig leeg, niet doorzien worden. Een diep inzicht komt pas tot stand als het misverstand van wie wij zijn, wegvalt. Wat kan er eigenlijk bereikt worden in een werkzaam leven, opgejaagd door vermeende voorstellingen, die slechts het genoemde concept dienen. Vereenzelviging met een onechte identiteit wat weliswaar voor de hand ligt, is mede vormgegeven door de essentiële behoefte om zichzelf los te maken van andere bewuste wezens en zichzelf te identificeren met het denkbeeldige operationele centrum (een ‘ik’) ten opzichte van andere wezens. Dit proces kan niet anders gezien worden als een door het denken voorgespiegelde samenwerking met het functioneren van Maya ofwel het droomspel die het leven voorstelt, maar geen werkelijkheid is.
Bewustzijn kan alleen manifesteren in de vorm van de zich voordoende verschijnselen (het potentieel van onze werkelijkheid) en in dit manifesteren moet het bewustzijn zich opsplitsen in waarnemer en het waargenomene. Het kan niet anders dan dat dit tweeledig aspect van het aan zichzelf voorstellende bewustzijn, zichzelf als een bestaand fenomeen ziet in de manifestatie van verschijnselen. Door kennis te vergaren en het toe te voegen aan het begrijpen, kan het individu inzien dat de waarnemer niet los kan staan van het waargenomene, zodat het verdeelde bewustzijn tot heelheid komt. Je kunt deze heelheid ook zien als een het realiseren van de non-dualiteit, zodat het ‘ik’, zich losmaakt van het primaire bestaan en zich verenigt met de grootse gestalte van het Ik. Dat het Ik of het oorspronkelijke zelf in het stadium van de totstandkoming van heelheid geen waarneembaar verschijnsel is, maar in totaliteit de staat van het oneindig Absolute postuleert. Dit in de zin van volheid van alle mogelijkheden, hoewel het wordt ervaren als een leegte omdat dan alles tot eenheid en los komt van de afbakeningen van de duale tegenstellingen.
Blog 65 (06-08-2025)
Wie is het 'ik' in relatie met het bewustzijn?
Wat wil de mens zijn en als tweede vraag wat wil het ik? De antwoorden op deze complexe vragen lopen niet wezenlijk uiteen. De belangrijkste drijfveren worden immers door het ik-concept bepaald? De mens wil in eerste instantie altijd het eigen belang verdedigen en doorzetten naar een optimale situatie, wat je als de uitloper van de drang tot leven zou kunnen bestempelen. Maar het is meer dan dat. Er is ook de werking van de behoefte tot objectivering van de eigen aanwezigheid zichtbaar om aan de subjectivering van het bestaan te ontsnappen. Dat wordt in een setting geprojecteerd van de aangenomen werkelijkheid. Deze wordt gevormd door de illusie waarmee we ons bestaan omgeven hebben en ons het idee geeft dat de verschijnselen werkelijk kunnen bestaan. Wij willen alles als objecten waarnemen, inclusief onze identificatie, zodat we op afstand kunnen beoordelen waar wij ons bevinden en of iets in ons voordeel is. Wij stuiten op het probleem dat wij de objectieve waarnemer willen zijn of in het vervolg ervan het waargenomene subjectief hebben ervaren. Door deze opslitsing van het subject/object wordt de moeillijkheid van het onpersoonlijke omzeild, maar krijgt daarvoor het dualisme terug. Deze visie wordt door het denken ingegeven, omdat het beter respondeert met het ik-bewustzijn. Maar het bestaan (waarnemer) is afhankelijk van het bestaan van het andere (waargenomene), zodat we de hiërarchische afhankelijkheid ervan wel kunnen vaststellen, maar wordt binnen onze behoefte van zelfverwerkelijking niet geaccepteerd.
Toch is alles wat we kunnen waarnemen een verschijning in het bewustzijn, waarbinnen zowel de kenner als het gekende hun bestaan hebben. Er is dus niets anders in onze werkelijkheid dan bewustzijn, dat is alles wat we zijn. Ons besef wat wij zijn is gebaseerd op ons streven naar geluk, het zoeken naar succes in de optimale identificatie van het zelf. Maar we zijn slechts een psychosomatisch apparaat (inclusief het brein), het instrument met behulp waarvan we het proces van waarneming kennen. Deze beperking van de aardse gebondenheid is ontstaan als gevolg van het identificatieproces binnen de tweedeling subject/object die we zelf gecreëerd hebben. Het is echter een valse voorstelling, omdat we het complementaire deel overslaan, want alles wat waarneembaar is laat zich kennen als een verschijning in het bewustzijn, waarbinnen zowel de kenner als het gekende een intrinsieke relatie mee hebben. In werkelijkheid bestaat er niets, behalve bewustzijn. De kenner noch het gekende hebben een onafhankelijk bestaan, wat wil zeggen dat, door de mens ingebrachte vorm van dualiteit, de splitsing van de oorspronkelijke absolute eenheid is ontstaan om te kunnen wedijveren met het kosmische deel in onszelf. Dat is voor het denken een hele prestatie, om de mensheid al zolang in deze greep te houden. Het geldt uiteraard ook voor de aangeroerde relatie van waarnemer en het waargenomene.
Als we als kind voor het eerst een bepaalde prikkel ervaren, hebben we er nog geen herinnering aan; het bewustzijn kiest geheel vrij uit de mogelijkheden, die door het kwantum dynamische proces aan de hersenen van het kind worden aangeboden. Deze eerste gebeurtenissen kun je als het begin van het gefocust bewustzijn opvatten (primair besef van de werkelijkheidservaring). Latere ervaringen worden gespiegeld in de reeksen van ervaringen, de al eerder gemaakte keuzen van het bewustzijn. De herinnering wordt dus versterkt door de al eerder opgeslagen, uit het geheugen opgeroepen beelden, geluiden en andere zintuigelijke waarnemingen. Deze opeenvolging door versterking van opgeslagen ervaringen noemen we conditionering, een proces wat een leven lang doorgaat.
Het geheugen produceert na waarneming een interne stimulus, de hersenen reageren met de kwantumpositie van mogelijkheden en het gefocust bewustzijn laat een van de mogelijkheden vervallen tot werkelijkheid, wat a priori altijd een secundair besef van de ervaring oplevert. De keuze is dus niet een vrije, maar een geconditioneerde keuze ten gevolge van een eerdere respons (Mitchell en Goswami 1992). Dat wordt dan de psychologische uitleg van een fysische verklaring, wat een modificatie van een wiskundige waarschijnlijkheid wordt genoemd. De mogelijkheidsgolven van de geconditioneerde kwantumsystemen worden, door interactie met het ervaringsveld beïnvloed. De specifieke loop van tendensen door onze persoonlijke identiteit, onze persoonlijke geschiedenis (zielsbewustzijn) en de inbreng aan belevingen, worden tot een onbewuste respons aan ervaringen in het totaal Bewustzijn samengevoegd. Dat geeft een onsamenhangende indruk van het persoonlijke weer, omdat dit bewustzijn (nog) niet in het oorspronkelijke Zelf van het individu is neergedaald, zodat er een onjuist (onevenwichtig) zelfbeeld ontstaat. Het zelf bestaat dus uit een tweeledigheid, het geconstrueerde persoonlijke zelf en het universele zelf, het residu van de ervaringen uit vorige levens en de tot klaarheid gekomen inzichten, wat de Indiase Wijsheidsleer de atman noemt.
Nog even terug naar wie we denken te zijn. Waar het om gaat is te onderzoeken wat dat zelf is. We zijn dus als verschijningsvorm een object maar in werkelijkheid zijn wij alleen in de fysieke vorm een object, omdat wij de ervaringen subjectief ondergaan, geluk of ongeluk, in positieve zin of negatieve zin, wat het dualisme aangeeft en waar we onszelf aan hebben onderworpen. Maar wat wij zijn is bewustzijn, wat zich uit in een sterk gevoel van aanwezig zijn, als het bewustzijn tenminste actief is. In de slaap is er geen bewustzijn. Wat wij zijn, wat we registreren van ons bestaan komt via onze zintuigen. Dat is het verschijnsel van het functioneren (horen zien etc.) en niet van het ego die wij menen te zijn. Er is geen afzonderlijke bewuste entiteit in de vorm van een individu dat een vrije wil kan uitoefenen of het lot kan sturen. Het functioneren van levensomstandigheden gebeurt gewoon door het psychosomatisch apparaat en niet door het ‘ik’. Dat is het proces van het leven, want het leven voltrekt zich immers met behulp van de verscheidenheid aan gebeurtenissen, veelal in relatie met andere psychosomtische apparaten. Omdat de mens denkt dat hij het is die handelt, vindt dit plaats in gespletenheid, waarbij onderscheid gemaakt wordt op basis van dualistische gevoelens en denkpatronen. De ware aard is het Bewustzijn van een hogere orde dat niet gespleten kan worden, zoals het mes zichzelf niet snijden kan, noch het oog dat zichzelf kan zien. De illusie bestaat eruit dat wij niet alleen onszelf willen zijn, maar ook het idee van het zelf ons willen toe eigenen, wat wij voornamelijk door onze conditionering denken te zijn.
Waarom vinden wij dat we onszelf moeten zijn? Een idee wat vooral in de adolescentie speelt. Zijn wij dan niet onszelf? Moeten we ernaar zoeken, onszelf aanmoedigen om te zoeken naar wie we vermoeden dat we zijn. En is het vinden dan een oplossing zodat wij ineens de puzzelstukjes bij elkaar leggen? Eindelijk onszelf gevonden hebben voor de rest van ons leven? Is dit niet een enorme schijnvoorstelling die laat zien dat er van deze aannamen niets klopt?
Het zijn denkprocessen die geleidelijk aan in de vele eeuwen door de gemeenschap zijn geaccepteerd. Bedoeld wordt eigenlijk een zoekproces wat het leven is, een antwoord wat zelden door de ontwikkeling naar adolescentie gegeven wordt. Het is wederom een falsificatie van normen die ons leven omhullen. Het ego heeft daar belang bij. Het denken heeft in samenwerking met het ego deze constructie bedacht om een soort acceptatie van het zelf te bewerkstelligen en het besef van het andere zelf, die geheel anders functioneert af te houden. Het denken heeft een vorm van de persoonlijkheid bedacht die we het best in geconditioneerde toestand kunnen zijn of misschien wel die we, door de omstandigheden bepaald, het beste mee uit de voeten kunnen. We zoeken naar een concept van onszelf, een creatie die ontstaat naarmate wij meer en meer geconditioneerd worden. Uit de selectie van deze geconditioneerde vormen wordt door het denken het individu samengesteld.
Waar wij eigenlijk naar op zoek zijn, is onze kosmische identiteit die zich somtijds in een vaag gevoel manifesteert, maar die wij daarna volkomen negeren. De enige werkelijkheid is dat wij deze kosmische oorspronkelijkheid nooit verloren hebben. Dat betekent dat wij iets zoeken wat we helemaal niet kwijt zijn en nooit zijn kwijtgeraakt, omdat het de kern van ons wezen is. Wat wel nodig is het begrijpen, dat als we gaan zoeken wij dat niet kunnen vinden, omdat diegene die zoekt zichzelf zoekt oftewel hij zoekt naar een mes die zichzelf moet kunnen snijden. Dat is de gefingeerde relatie van waarnemer tot het waargenomene, de ziener tot het geziene en de zoeker tot het gezochte; er is geen verschil, zij zijn allemaal aan elkaar gelijk. Maar in het dualisme van de wereld der verschijnselen (onze werkelijkheid) conformeren we ons echter aan deze tweedeling, zodat deze loskoppeling in het ego tot uiting komt.
Wij vereenzelvigen ons in eerste instantie altijd met de ‘subjectieve’ pool van het primaire besef. Pas daarna vereenzelvigen we ons met het zelf dat door de gecreëerde identiteit tot stand is gekomen, waarvan we denken dat het onze persoonlijke ik is. Maar het is zonder het te weten onze persoonlijke geconditioneerde geschiedenis in samenwerking met wat wij onbewust meedragen. Wij poseren in ons leven niet alleen het besef van het zelf, eventueel met de beperkte identiteit binnen de contouren van mislukking, de geaccepteerde of opgehemelde persoonlijkheid, maar ook het oorspronkelijke zelf, de bijeen vergaarde inhoud tijdens de vele levens aan bewustzijn van een inmiddels hogere signatuur. Het toont aan dat we een 2-ledige persoonlijkheid bezitten die elkaar doordringen en in standhouden. Dat is de sfeer van de manifestatie omdat het oorspronkelijke (transpersoonlijke) Zelf voornamelijk in het onbewuste zetelt. Het concept van het transpersoonlijke zelf werd door onderzoeken van Maslow en Assogidi vastgesteld, wat ook de onterechte pseudo-ontdekking van een dubbele zelfidentiteit (schizofrenie) van de mens veronderstelde. Het is wel degelijk een tweeledig begrip van de identiteit, maar moet gezien worden in een samenwerking, in een verenigd bestaan. Dat er storingen in het proces kunnen plaatsvinden is evident. In het proces van manifestatie, in de veronderstelde werkelijkheid, is dat wat zich in het individu etaleert als persoonlijkheid, een proces van interferentie tussen het stoffelijk lichaam en het zelfreferentieel bewustzijn.
In de vereenzelviging met uitsluitend het oorspronkelijke zelf daarintegen, worden eenheid, vreugde en geluk ervaren door het loslaten van de dwangmatige keuzen van het ego. Maar er is meestal sprake van een verstrengelde hiërarchische relatie tussen subject/object. In de pure vereenzelviging met het ego wordt ook in sterke mate de andere pool van het tweeledigheid ervaren die afzondering, depressie, angst, opkomende conditioneringen en gewortelde overtuigingen opdringen. Het verloop tussen de twee polen van dualisme is continu en heeft, zoals al eerder genoemd, geen stabiliteit vanwege de afgescheiden vorm waarin de mens meestal opereert. In deze staat is een hiërarchische combinatie met allerlei extremen mogelijk, zelfs die wat tirannie genoemd kan worden. Om de twee zelven van de mens beter te kenschetsen kunnen we de twee afzonderlijk weergeven, zoals Amit Goswami het voorstelt. Merk dus op dat het oorspronkelijke zelf, een synoniem is voor de ziel, die in de menselijke vorm als een subtiele entiteit verschijnt.
Deze kenmerken zijn als volgt:
Ego
Rationeel denken
Continu aanwezig
Trekt automatisch gevolgtrekking
Lokale situering
Geconditioneerde persoonlijkheid
Geaccepteerde consensus
Klassieke logica
Vaste overtuigingen
Het Oorspronkelijke Zelf
Creativiteit
Discontinu aanwezig
Synchroon met ‘Alles wat is’
Non-lokaal gesitueerd
Holistisch bewust van het Universum
Transpersoonlijke overstijging
Spirituele wijsheden als logica
Spontane reactie
Het een gaat dus niet zonder het andere, dat wil zeggen het ego is bedoeld om er mee te werken, te leren en er boven uit te stijgen. Maar de andere kant van de medaille is dat het ego door zelfinzicht het bewustzijn kan opstuwen, zonder dat is beschaving niet mogelijk.
Het oorspronkelijke zelf, het afgeschermde zielsbewustzijn, door sommige filosofisch aangelegde natuurwetenschappers het kwantumzelf genoemd, brengt ons dus o.a. creativiteit, maar kan niet altijd goed manifest zijn en het in rationele processen omzetten. Manifestaties in de wereld van verschijnselen zijn een gecombineerde vorm van scheppingsprocessen die de opstap naar het volgende inzicht laat ontstaan, zodat er sociale en maatschappelijke interacties kunnen plaatsvinden. In het huidige tijdperk is dit besef niet gemakkelijk in ons weten te integreren, om van deze tweeledige natuur bewust te worden. In dit leven niet, maar vaak ook in de vele levens ervoor lukte dat niet altijd. Het oorspronkelijke zelf blijft ons evenwel nauwgezet volgen zodat het ego-aspect in ieder leven in een nieuwe gedaante met ons komt ‘meeleven’ en zet in ieder leven het bewustzijn aan tot groei. We moeten hierbij wel een aantekening maken omdat, wat de fysica het correspondentiebeginsel noemt, ervoor kan zorgen dat persoonlijke groei vanwege het materialistisch-realistische georiënteerde bewustzijn, kan stagneren en de mogelijkheid in zich draagt om in de opvolgende levens in dezelfde optiek kan blijven steken. Als de mens daarop georiënteerd is, neemt de conditionering toe en raakt het bewustzijn steeds verder vast in het ego. Het ik-concept en het materialistisch denken gaan immers hand in hand, maar de idealistische wetenschap is in staat het tij te keren zodat ons ego de plaats kan inruimen voor meer innerlijke creativiteit en op inzicht gerichte spiritualiteit.