Blog 50 (08-05-2024)

 

Van onderscheidende gelijkheid

 

Om de overbekende uitspraak van Rene Descartes nog maar eens aan te halen die stelde: “Ik denk, dus ik ben”, moest dit denkbeeld, de toenmalige mens ten tijde van de Verlichting, overtuigen van zijn staat als lichamelijk object met een persoonlijk hersenapparaat. Veel mensen denken dat het klopt, omdat wat het bestaan inhoudt alleen door het denken kan worden bevestigd.

Overigens hadden de Grieken al bedacht dat het wereldbeeld van Mythos alleen niet voldoende was en zochten naar verklaringen die de Logos (de rede) moest aanreiken. Een gevolg van de ontwikkeling van het bewustzijn om naar antwoorden te zoeken die in het intellectueel vermogen tot een acceptabel begrip kon komen. De Griekse filosofen kenden ook de wijsheden uit het Oosten, zodat hun leerstellingen met kennis over het hogere bestaan werd vermengd.  De uitspraak van Descartes lijkt een enorme stap voorwaarts maar wijkt niet zoveel af, in zoverre dat de Oude Grieken meenamen dat de mens ook door het hogere beïnvloed kon worden. Voor Descartes betekende het niet veel zodat zijn uitspraak suggereert dat wat de mens is, uitsluitend bepaald wordt door de hersenactiviteit, functionerend in een lichaam van vlees en bloed. Sinds die tijd hebben wij een vreemde verhouding met die twee delen ontwikkeld, omdat wij onze persoonlijkheid, wie wij zijn, sterk identificeren met ons lichaam en dat met ons denken beredeneren of omkleden. Als dat waar zou zijn, zou de mens na zijn verscheiden van deze aarde opgelost zijn in de stoffelijkheid van de materie. Voor de mens die dat denkt klopt het ook, want de werkelijkheid is immers een idee-fix. Daarmee is het een beweging in het denken die de mens door zijn verbeelding schept, maar die niet werkelijk is, als je het wezenlijke bestanddeel erbij haalt. Nog even terug naar Descartes.

Wat de twee delen ‘Ik denk, dus Ik ben’ beslaat, is eigenlijk maar een klein gedeelte van wat het zogenaamde werkelijke bestaan van de mens inhoudt. Daarmee heeft Descartes de mensheid, zonder het te beseffen, met een enorme onevenwichtigheid opgezadeld. Anderzijds kun je ook stellen dat het een geval van een gebrek aan de menselijke behoefte om te weten ligt dat we deze stelling nog steeds voor waar aannemen. De mens had in die tijd, in de aanvang van het afkeren van de religie, grote behoefte aan een soort vervangende duiding, omdat religie de mens in het oude westen niet aan een wezenlijk inzicht in het bestaan had geholpen. Het bewustzijn en daarmee de filosofie ontwikkelde zich in deze opkomende aandrang naar de rede, het verstandelijk apparaat of intellect. Daarmee werd verondersteld dat de mens slechts uit twee delen bestaat. Dat is in spirituele zin een slechte inschatting van hoe de mens in totaliteit functioneert. Bovendien wordt met deze uitspraak een vooringenomen gedachtevorm gelanceerd, namelijk dat het bewijs wordt geleverd dat het verstand de basis is waaruit je het bestaan kunt realiseren. Echter de stelling ‘Ik denk dus Ik ben’ suggereert wel dat het een uit het ander voortkomt, maar het is hooguit een merkwaardige grap omdat het aan alle kanten mank loopt. In de tijd waarin Darwin zijn evolutietheorie had gelanceerd, was het wellicht een aannemelijke gedachte. Maar nu is het toch moeilijk aan te nemen, dat na de kennis van de huidige kwantuminzichten zulke simplistische denkbeelden nog voortgang hebben. Toch is dat niets van dat alles, slaafs wordt deze filosofische stelling nog steeds door grote gemeenschappen als waar aangemerkt.

De suggestie die in deze taalvorm zit, het woordje dus, is geenszins een opvatting waarin gelijkheid (gelijktijdigheid) zich voordoet, zoals de natuurkunde het naar voren brengt, omdat het door de suggestieve verbindende relatie door middel van taal het tot een geheel lijkt te worden samengevoegd. Het subject (Ik Denk) wordt tot het denkbeeldig object (Ik ben) verheven. De suggestie is dat de twee delen samenvallen, zodat het subject wordt opgeheven, maar het subject (ik denk) wordt niet door het object (ik ben) opgeheven want ik ben is ook een subject; het een komt immers uit het andere voort. Dat het een gefingeerd beeld oplevert blijkt wel, want het is immers in veel andere gevallen ook zo, ‘Ik neem waar, dus Ik ben’, of ‘Ik begrijp, dus Ik ben’ etc. Door het denken, als de voorgestelde activiteit van het menselijke bestaan op de voorgrond te plaatsen, wordt het idee opgeroepen dat het brein daarvoor bepalend is. Voor de hedendaagse mens is dat een vaststaand gegeven omdat het de denkende mens laat ontstaan in een door het intellect ondersteunde werkelijkheid.

Waarom stel ik de beoordeling van het denken in deze stelling zo centraal? Dat is omdat de impact, zoals gezegd, een groot gevolg had en de mens ondergedompeld hield in een veronderstelling dat de componenten lichamelijkheid en intellect, in een totaalbeeld van het functionerend menszijn voorzag. Een staat die de mensheid in de hoogste positie van zijn natuurlijke omgeving positioneert. Dat we nu wel beter kunnen weten, laat ernstig zien dat de psyché van de mens met deze stelling, door de ontkenning van andere aspecten die in het menszijn, de bron van zijn afkomst, zijn natuurlijke omgeving, verborgen zitten, niet uit de voeten kan.

Maar wat als “Ik ben”, de persoonlijke werkwoordsvorm van de totaliteit van Hoger Bewustzijn toont, waarmee het Zijn, in de Hogere betekenis van het bestaan wordt bedoeld. Dat gold voor Descartes niet, maar wel voor de Oosterse filosoof die geen behoefte had om het intellect als subjectieve uiting van het persoonlijke te sublimeren in zijn natuurlijke staat. In tegendeel, het ‘Ik denk’ wordt als een enorm obstakel gezien die de mens in voortgang van de evolutie moet zien te overwinnen. In de oude Indiase opvattingen wordt ‘Ik ben” niet als een representante van het denken gezien, maar een staat waarin het bewustzijn op een hoger niveau de connectie maakt met Alles wat is. In deze staat is het Ik, als zelfbewuste persoonlijkheid losgekomen van het zelfreferentiele bewustzijn; losgekomen van het ego, wat nu eenmaal verankerd is in het denken.

De Oosterse filosoof Nissargadatta Maharaj, laat in het boek “Ik ben” zien dat Bewustzijn puur en onvermengd is, dus het Absolute raakt. Het wordt vervalst als het opgedeeld wordt, als we denken of zeggen: “ik ben dit, ik ben dat”. Maar je bent noch uitsluitend lichaam, noch uitsluitend geest en als dat tot je doordringt kan je leven alleen een spoor volgen naar  de bron van Zijn. Als je die waarheid volgt, doe je wat er gedaan moet worden en als je de verbeelding van je eigen zelf achter je laat, dan ontstijg je bovendien de fixatie van je dwangmatige behoeftes, zelfs allerlei zogenaamde spirituele gedachtepatronen.

Dat deze wijsheden nog eigen gemaakt moeten worden om tot een hoger niveau van bewustzijn te komen, geeft de huidige staat van evolutie waarin we existeren aan; hoe door de sterke relatie met onze lichamelijkheid het gevoel van persoonlijk individu ontstaat. Wij koppelen die delen tot een eenheid die in onze misvatting tot grote hoogte kan of zelfs moet stijgen. Want immers ik denk, is een subjectieve uiting van een op zichzelf staand object, het totaal van het menselijk apparaat, wat in de gedachte van het maakbare immers tot zelfoverschatting neigt. Dat laat zien dat, overeenkomstig wat de alreeds aangehaalde existentialist Sartre met de zelfreferentie bedoelde, de ervaring van het zelf, die een beleving en een inschatting maakt die niet werkelijk is, omdat het een schijnbare vorm vertegenwoordigd, een hersenschim die bestaat zolang het in die staat wenst te blijven (zie vorige blog). Dat is de vorm die verbonden is met ons verstandelijk vermogen, dus onze geest. Voor Descartes is het ik (denk) de enige waarborg voor bewustzijn. Zeker er is meer, kennis van cogito is alles wat het ik, in de opvatting van Descartes, het bewustzijn, de ziel, alles op een hoop, de denkende substantie is, wat op een of andere manier weerspiegelt wordt in het bewustzijn. Het bewustzijn, bedacht hij, is een substantie dat geheel op zichzelf bestaat, waarvan  de eigenschap uitsluitend bepaald wordt door wat in het denken ontstaat. Maar het denken is niet de eigenschap van het bewustzijn, al wordt het intellect, als de zelfreferentiele exponent aan het zelf verbonden zodat het de indruk wekt dat het een eenheid vormt met het ego. Echter het bewustzijn is ook een nog niet bewuste (gekende) deel van het Absolute Zijn, wat het allesomvattende, de grootsheid van het universum omsluit en pas op een hoger niveau zichtbaar wordt. Dat onderscheid van een hoger niveau van bewustzijn, was voor hem geen betekenisvolle aangelegenheid. Het bewustzijn voltrekt zich voor Descartes uitsluitend in het denken of in de taal, wat voor hem een uitingsvorm van het denken is. En dat is precies het aspect (verwevenheid van denken en taal) dat door Wittgenstein weer anders benadrukt wordt, namelijk dat hij niet uitgaat van een afgesloten denken waarin taal zich uitdrukt, maar dat vanuit de beperktheid die het denken bezit, een uitzicht kan ontstaan van wat zich in het bewuste en tegelijk in het onbewuste bevindt, zodat de taal meer wordt dan een creatief samenspel.

Wat zich in gelijktijdigheid, als we die term van de natuurkunde overnemen, een vorm van verstrengelde hiërarchie, voordoet is enerzijds de vaststelling van de kenmerkende afhankelijkheid (structuren in het breintype) die zich in het lokaal bewustzijn primair voordoet, maar anderzijds in een andere lokaliteit, waar het Zijn zijn uitdrukking in vindt, in het onbegrensd bewustzijn waarin beide polen, object en subject niet aanwezig zijn omdat daar de wet van Een geldt. Echter, omdat het lokale bewustzijn zich meestal vereenzelvigt met een van de polen die in het dualisme voordoen, ontstaat de afgescheidenheid van de ander, waardoor de mens zichzelf als afgesloten ziet van de objectieve bepaaldheden van zijn ervaring en zijn medemens. Daaruit ontstaat eveneens de vorm van zelfbevestiging dat door het ego zo nadrukkelijk wordt gezocht, wat vrijwel constant en overal om ons heen tot uitdrukking komt.

Door de gelijktijdigheid van de polen kunnen deze krachten worden opgeheven. Dat lijkt een contradictie, maar daarin ontstaat wel de mogelijkheid om de ervaring van eenheid te ondergaan zonder dat het de noodzaak voelt zich aan het subjectieve te hechten. Als de mens zijn dualistische normering los kan laten en op een hoger niveau van bewustzijn wil komen, zal het zich in een toestand van gelijktijdigheid moeten brengen door meditatie, zelfonderzoek, kennisoverdracht, bewustzijnsverruiming of een andere transcendente inbreng. Daarin wordt het denken eerder als een obstakel ervaren die alleen door sterke inperking tot het ware ‘Ik ben’ komt. Dat is de staat van Zijn, wat de absolute staat van bewustzijnsontwikkeling weergeeft, wat geen aandeel in de tweedeling kan betekenen.

Het Zijn, was vanaf de Griekse Oudheid, wat in de traktaten van Heraclitus en Parmenides weerspiegelde tot en met de al genoemde Heidegger die het ‘Dasein’ noemt, oftewel het erzijn, dat een centraal thema in zijn werk werd, het zoeken naar de reden van bestaan en het daarin functioneren van de mens betekende. Het bestaan, wat in zijn ogen nooit in balans komt omdat de mensheid de vrijheid niet werkelijk kan ontplooien, het een zoektocht wordt om het loskomen van de onevenwichtigheden in het leven te kunnen hanteren en er een onderzoek naar het Zijn in het alledaagse leven in zag, zoals het bestaan zich als fenomeen voordoet. Pas aan het einde van zijn leven ontdekte hij de relatie met de hogere bestaansgrond, door het Goddelijke als ontbrekend element te aanvaarden en de zucht naar macht van de mensheid als een drang zag die hem wegvoert van het enige ware.

De essentie is dat we het als een diepere ervaring kunnen meemaken, soms op een simpele manier, bijvoorbeeld wat we in een flits ervaren als we hoog in de bergen met een groots uitzicht onze nietigheid begrijpen; een moment van inzicht die we ook een moment van diepe realisatie kunnen noemen, omdat we in ons vluchtige leven maar zelden zo sterk door een hoger besef gegrepen worden. Onze behoefte richt zich om te ‘worden’, iemand van betekenis te zijn, wat constant afleidt van het onze wezenlijke staat van Zijn, zodat we het gejakker als normaal gaan ervaren. De ervaring van Zijn is door het denken op de achtergrond geraakt, maar als we dat tenminste toelaten, geeft het een kenmerkend ogenblik van verstilling en een zicht op de essentie van het bestaan, wat je een korstondige ontmoeting met je Ik Ben zou kunnen noemen.