Hans van Wingerden
De wil, een zoeken naar vervulling.
De ‘vrije’ wil bestaat dan wel niet in onze kenbaarheid, maar de wil, dat wat de mens bedenkt, of via een impuls tot uitvoering laat komen, is tot in de kern met het menselijk bestaan verbonden. We hebben dit onderscheid in de vorige blog al aangegeven en noemen het eufemistisch het verlangen. De wil echter is voornamelijk een onbewuste behoefte die in het leven tot ontwikkeling komt. Verlangen is de motivator, waarvan sommigen het verwarren met een soort van Sturm und Drang, als de sterke bewuste inspirator. Of het doel een gewenste uitkomst heeft, wordt echter niet automatisch geregeld, alleen al omdat we niet over een maakbaar leven beschikken, want het zal in overeenstemming moeten zijn met allerlei factoren zoals je oorsprong, leerproces en lotsbestemming. Tussen het eigen aandeel en wat je de vaste componenten zou kunnen noemen zit een mogelijkheid waarin je met een gerichte wil een andersoortige groei in je bestaan kunt oproepen en activeren. De keuze van wat je wil bereiken uit zich in het in werking zetten van het proces, het streven om naar het doel te komen, wat een integere beweging van het zelf is. Het vereist echter wel zelfkennis en verantwoordelijkheid omdat het resultaat sterk afhankelijk is van hoe je omgaat met je bewustzijn.
In de yogafilosofie wordt de wil in het Sanskriet prakrtri genoemd, het substraat van verandering, oftewel de wil onder veranderende condities. Je kunt het verklaren als een potentieel bewustzijn dat plotseling tot leven komt. In de Samkhya, de oude filosofie van het oorspronkelijke Boeddhisme, volgen de verschijnselen van de wereld elkaar op, maar zijn in basis de mogelijkheid van ontwikkeling, het substraat van verandering (evolutie). Ze worden tevens als aanzetten van de wil beschouwd zodat de ontwikkeling van de mens gestalte krijgt in de verschillende fasen van het leven. Er bestaat dus binnen de verschillende stromingen ook ruime overeenstemming, wat duidelijk maakt dat ze in die eeuwen elkaar beïnvloed hebben. In de psyché ontwikkeld het zich als het gevoel of gewaarwording. Het zijn eveneens de eerste indrukken die de mens als baby ervaart, namelijk de ervaringen van lust en onlust, van rust en onrust, met alle tussenliggende nuances. Eigenlijk is het feit dat er tussen het een en het ander een tegengestelde schakering, eveneens een proces van beoordelen ontstaat, zodat we kunnen kiezen wat als polariserende denkactiviteit kan worden gezien. Dit kun je begrijpen als het ontwikkelen van een strategische waarde, die het persoonlijke gedrag vormt voor het willen realiseren van het een of het vermijden van het ander.
We beschouwen het als wilsprocessen die een positie kiest, waar ook de uitgangspunten van elementaire impulsen, driften, neigingen uit voort komen om het gefixeerde doel te bereiken. Het zijn processen die verschillende fasen doorlopen. Je bemerkt eerst een aandrang, die op zichzelf een geconditioneerde projectie kan zijn of een behoefte die door het onbewuste wordt aangedreven. Van voorstelling naar doel is het verwerkelijkingsproces aan de gang waarbij de veronderstelde juiste middelen worden toegepast. Aan de keuze van middelen wordt onderweg informatie toegevoegd, die voor het proces als noodzakelijk wordt geacht. Deze informatie kan worden verwerkt op basis van een gerationaliseerde redenering of van een verwerkte redenering op basis van een vorige ervaring. Wanneer de opzet lukt wordt het een blauwdruk van de handeling waar er, indien nodig, weer een beroep op kan worden gedaan. Voor het brein zijn deze gebaande paden makkelijk omdat het een positieve ervaring betreft, zodat het kan worden opgeslagen en op gepaste tijd kan worden hergebruikt. Uiteraard wordt bij een mislukte poging het wel opnieuw ingezet, maar met een kritische verschuiving, wat evenwel als een wilsactie met overeenkomstige intenties is aan te merken.
Bij de uitvoering van de wilsactiviteit zijn we het oorspronkelijke gevoel al voorbijgegaan. Het gevoel of gewaarwording maakt dan geen onderscheid meer tussen bewust of onbewust. Het deed zich aanvankelijk voor als een emotie wat lust of onlust veroorzaakte, een onbehaaglijkheid of juist een tevreden situatie, etcetera. Maar ook maakt het gevoel primair een onderscheid tussen het goede en de kwade (Mencius analyse). Als iemand ziet dat een auto het water inrijdt, zal de een toeschieten om te helpen en de ander niet. Het gevoel (empathie) is dan onderscheid maken onder invloed van wilsprocessen, zoals hierboven beschreven. Echter de empathie wordt in het aardse bestaan bewust of onbewust door de aangenomen identiteit beïnvloed, waarbij het min of meer door egoïstische motieven wordt bepaald. De wil die in het belang van de zoektocht naar Hogere doelen kan worden ingezet, kan ook in een dergelijke situatie gedwarsboomd worden. In deze omschrijving blijkt wel hoe moeilijk de wil als menselijk opereren te omschrijven valt. In het gezamenlijk beleven van de wil kunnen ook belangen ontstaan, die al dan niet door de empathie worden aangesproken, waarbij wij ons min of meer op elkaar afstellen, zoals bij een harmonisch feestelijk genieten of negatief, bij massale lynchpartijen gebeurt. Soms is het een puur individueel terugvoeren naar een ‘ik ervaar mijn eigen lichaam, maar ik ervaar andermans lichaam niet’. Voor het lichaam is het gevoelslichaam dan een te ervaren gelijkheid die samenvalt met de geest (ervaren van de zelfidentiteit) met eenzelfde uitkomst.
De werking van de wil zijn onder de normale omstandigheden, als de mens spontaan de doelen stelt, onderhevig aan de richtinggevende bepalingen van lust of onlust. Door de dualiteit van deze begrippen zijn ze aan elkaar verwant. Lust ontstaat door het verwezenlijken van verlangen terwijl pijn (of onlust) verbonden is met het onvervulbare verlangen. Als je je van de juiste middelen bedient zul je daarvoor “beloond” worden, zo is de gedachte, maar als je de verkeerde middelen toepast, wordt het een niet te stillen pijn. De derde optie is het verlangen terug te brengen in een staat van rust, wat ook een gewaarwording is en zelfs de enige primaire ervaring waarin de wil zichzelf is, omdat er geen dwangmatige uitwerking meer in plaatsvindt. Het streven van bewuste of onbewuste drijfveren worden op deze wijze gekalmeerd zodat we ons nergens meer op richten. Daarmee is rust een stabiele situatie. De normale werking van de mens is gericht op lust. De geest negeert meestal de optie rust, hoewel het een stabiele positie markeert tussen de twee polen.
Het leerproces die in het leven de basis vormt waar het lot ons brengt, is ontvankelijk voor deze drie aspecten. De oefening om tot rust te komen, wat we de onthechting van de twee polen kunnen noemen, die via het gewaarzijn de spontane mogelijkheid aanbiedt om tot inzichten te komen. Dit brengt de wil in een inactieve toestand die alleen door de rustpositie kan worden bereikt om de werking van hechting aan de strubbelingen van het leven tegen te gaan, die ons soms in een onbeheerste situatie brengt en geen ruimte biedt om evenwicht te vinden. Het betekent niet dat lust afgewezen moet worden, maar de wirwar van intenties moet door onthechting worden beperkt, wil het niet voor de psyché een onoverkomelijke hindernis worden, waar intenties om voorrang strijden. Wat je bijvoorbeeld in de yogafilosofie met name door asana bereikt, is een oefening die voorstaat om de aandacht naar binnen te richten. De samadhi, het opgaan en verzinken waarop de aandacht gericht is, betekent een omkering van de richting die de mens dwangmatig het proces van dualisme laat inslaan. Het toelaten van onbewuste processen en het loslaten van de zucht naar verlangen door het te vervangen door rust komt het individu in een vaarwater waar een gezonde balans ontstaat.
Het zinvolle gericht zijn is de verstoorde balans in het gevoelsleven te herstellen, er heer en meester van te worden in plaats van er onderworpen aan te zijn. Deze staat is het tegengestelde van de staat die het beperkte bewustzijn laat zien, waar alleen het ‘oergevoel’ in doorsijpelt en op een ongecontroleerde manier de mensheid ‘bezielt’. Als deze verstoorde balans wordt opgeheven kan dat uitmonden in een staat van een geïndividualiseerd voelen, die echter wel leunt op een vorm van isolement, omdat de meerderheid van de mensheid het niet makkelijk vindt om het te begrijpen. Maar het afgesneden zijn van de invloed van de wereld der verschijningen kun je daarentegen beschouwen als een toestand van geestelijke vrijheid. Het is een geestelijk tot zichzelf komen, losgeweekt van het ego. Deze teloorgang van het ego betekent geen verlies, maar een uiting van een wilsproces dat in zichzelf besloten ligt. Bij deze inschakeling van het “ik”, beleeft de intuïtie zelf de denkactiviteit. Dan kan het ego tot een daad van vrije keuze komen door deze morele intuïtie, wat het ideële motief wordt van het vooropgezette doel. De liefdevolle behoefte die naar dit doel reikt, brengt een eigen vrije handeling in stelling. Dat bedoelde Rudolf Steiner met dat het denken de drijfveer zou kunnen zijn om de gewaarwording tot andere rede te brengen. Daarvoor is dus een zelfwaarneming, inzicht en begrijpen noodzakelijk. Echter zolang de drijfveren en neigingen aanwezig zijn die berusten op egocentrisch gedrag, op conditioneringen en rationele veroordelingen zal de werkelijke wilsbeschikking nooit tot vrijheid leiden. De vrije gedachte ontstaat pas echt als de schaduwen van het ego zijn losgelaten en de mens het vrije ideaal van de totale mensheid in zijn wezen voelt. Al het andere betekent een wrange gebondenheid aan het bestaan.
In de verbeelding, hoe je daar zou kunnen komen om het lijden, wat je als de gebondenheid aan het bestaan zou kunnen opvatten, in innerlijke vrijheid zou kunnen omzetten, komt voort uit de genoemde Samkhya, de oorspronkelijke boeddhistische filosofie. Vanwege het feit dat er een principieel onderscheid moet worden gemaakt tussen de psychische ontwikkeling en de onbewuste impulsen van de mens. Er moet dus sprake zijn van een bewust beginsel (parusha), die verantwoordelijk is voor alle waarnemingen en de daarmee verbonden beoordelingen. Daar vloeit het beginsel van de psychische ontwikkeling (parinama) uit voort. Wat de eigenlijke wil voorstaat is weliswaar geen bewust willen maar een ontwikkeling, die tevoorschijn komt door de met drang omklede beweegredenen. Deze komen pas door een stabiel evenwicht in zicht als de twee polaire elementaire beweegredenen, die samen de werkingen van de wil bepalen, niet meer aangewakkerd worden, wat resulteert in de meest zuivere vorm om bewust te worden van het zelf. Het gevonden evenwicht tussen deze beweegredenen zijn afkomstig van de initiële vrije wilsimpulsen maar zijn soms onderhevig aan verstoringen die in de basis van het bestaan liggen opgesloten. Voor iedere verstoring geldt dat de onderlinge verbintenis voor een ontregeling kan zorgen, zodat andere beweegredenen ook verstoord kunnen raken. Dit zou je als een kettingreactie kunnen opvatten, die moeilijk te beheersen vallt. Voorbeelden hiervan liggen in de psychopathie voor het oprapen.
Als we willen onderzoeken in hoeverre de wil in ons leven actief wordt ervaren, kunnen we niet buiten de betekenis van de essentie en de uiteindelijke missie van het leven. Daar valt immers ook de bevrijding van de gebondenheid van het leven in te ontdekken, waar de hereniging met de bron in het verschiet ligt, wat ook de opheffing van alle lijden bewerkstelligt. Maar dan zullen we eerst het pad af moeten leggen die naar die hereniging leidt. Voor de spiritueel aangelegde mens is dat een logisch gevolg die het binnen de persoonlijke ontwikkeling als een vrije keuze ervaart, maar voor de mens die alleen de materiele behoeften als wezenlijke bestaansvorm ziet, is het een confrontatie met het grote misverstand die de naam ‘illusie van het leven’ draagt. Het gebrek aan aanvaarding zit in de conditionering die een belangrijke rol speelt en veelal tot vaste overtuigingen zijn geworden, zodat deze te overbruggen kloof een vrijwel onmogelijke opgave wordt. Alle betekenissen die wijzen op een hogere existentie van bestaan worden immers categorisch afgewezen. Natuurlijk je kunt je in extremis mee laten voeren door je gevormde verleden, door je trauma’s te laten opjagen, je karmische opdrachten af te wijzen om uiteindelijk onder een brug, je enig overgebleven gevoel van eigenwaarde, nog aan je vrije wil te koppelen, wat meestal destructie oplevert. Dat klinkt niet erg optimistisch, maar zoiets kan zich in die situatie voordoen of misschien heb je een ander idee van vrijheid die neerkomt op hoe je je pensioenpotje gaat vullen. Dat zijn in wezen dezelfde vastgelegde machinaties van het zelf, waar je mee kunt doen wat je wil, al gelang je omstandigheden, maar je vrijheden zijn sterk bepaald door je wereldbeeld en dus onvrij.
Dat houdt in dat deze gebondenheid nooit vrijheid kan betekenen, maar afhankelijk is van een persoonlijke invulling en hoe je deze vertegenwoordiging in de wereld inschat. Hoe de individuele mens zijn eigen verschijningsvorm waarneemt en zijn zelfbeeld daarop vastprikt. Daar spreekt een onmiddellijke beklemming uit. Was er ooit eerst een veronderstelling en zit het vervolg in de discrepantie van het onhaalbare? Of is het net zoals andere vermeende aspecten van de werkelijkheid verweven met de illusie van het leven? Welke rol speelt de wil dan nog in ons leven? Als we alle voorgaande onderzoeken meenemen, zou het belangrijkste deel van de wil gezocht moeten worden in het zoeken naar de hereniging met de Bron van het Leven. De werkelijke vrijheid kun je niet realiseren in een onechte wereld, want wat zou dat lege streven betekenen? Een baatzuchtige zoektocht naar waardigheid, individualiteit, allerlei projecties van het zelf als een reflectie van je bestaan. In bovenstaande beschrijvingen is aangetoond dat de wil geen automatische neerslag vormt in het zoeken naar het Hogere. Natuurlijk we kunnen wel het idee hebben dat we in de vrije exploratie van het bestaan alles in handen hebben, maar daarin worden de onwerkelijke drijfveren gemanifesteerd in een onwerkelijk concept. We hebben onszelf onomwonden die eigenschappen toegedicht in de omschrijving van de mens als Homo Universalis. Met de eigenschappen die ons verheffen boven de natuurlijke staat. Maar de mislukkingen van deze opvatting dringen zich steeds vaker en indringender op. Het menselijk vermogen gaat er niet voor zorgen, dat is duidelijk. Vrijheid is in deze context een gigantische idee-fixe. Loopt dat daarom parallel aan het leven in de lijdende vorm die Boeddha beschreef? Dan zullen we, als we willen weten hoe vrijheid te realiseren valt, bewust naar het pad moeten zoeken om inzicht te verwerven, onszelf moeten informeren en begrijpen wat ons daartoe leidt. Daar zit een oefening in de zoektocht hoe bewustwording ingezet kan worden voor de uiteindelijke verwerkelijking van het persoonlijke bestaan. Voor het grootste deel van de mensheid heeft deze keuze van de wil nauwelijks betekenis. Het zoeken naar een andere wilsbeschikking strekt zich uit naar een doel waar het zelf zich in andere waarden kan uitdrukken. Dat heeft ook te maken met het inbrengen van veranderingen die gelijke kansen voor de mens herbergen, een nieuwe condition humaine tot stand brengt, die de evolutie vooruit helpt.