Blog 51 (05-06-2024)

 

 

Polariserend zelfbewustzijn

         

Wij beschuldigen elkaar nogal eens van polariserende uitspraken dat door de roerige gebeurtenissen, die nu plaatsvinden, aan de orde van de dag zijn en in (hardop) denken tot uiting komen. Omdat vrijwel niemand zich daaraan lijkt te kunnen onttrekken, kun je opmaken dat het structureel is en in ons brein gevangen zit. Wij denken wel dat alleen de ander het doet en beseffen niet dat het in de totaliteit van ons denken besloten ligt. Het is een primaire uitingsvorm en dwangmatig van aard. Wij reageren tenslotte voornamelijk vanuit ons zelfbewustzijn en zien sommige uitingen als noodzakelijk om duidelijk te maken wie wij zijn. Vaak zijn deze uitingen van polarisatie op zijn zachts gezegd nogal stuitend. In het algemeen remt het bewustzijn, dat op zichzelf wel van de onhebbelijkheden van het ego bewust kan worden, bepaalde uitingen van polariteit af. Maar een totaal loskomen van dualisme vereist wel andere processen van bewustwording.

Nog even doorgaan op wat het dualisme in de mens bepaalt, wat onze polariteit teweegbrengt, verdient door het manifeste karakter en in het kader van de actualiteit, zeker weer opnieuw aandacht (zie eventueel ook blog 34 t/m 36).

Is het een universeel gegeven dat de polariteit in de mens aansteekt? Is het een dualistisch verschijnsel waar de mens ongemerkt in wordt meegezogen of is het een onbewuste drang waarin het verzeilt raakt en zijn mening wel moet etaleren? Het antwoord is ja en nee, het is een veel voorkomend menselijke trek, dat wil zeggen dat het dualisme inderdaad een universeel verschijnsel is, die zich op elk niveau en overal manifesteert, maar ook uitdrukkelijk verbonden is met het zelf(bewustzijn), dat de mens in tegengestelde delen uiteendrijft. In het universum is echter geen sprake van tegengestelde delen, alles is immers een eenheid. Er bestaat geen eb zonder vloed, geen boven zonder beneden, geen hoog zonder laag. Er zijn duizenden voorbeelden te noemen waarin dat opgaat. Waarom heeft de mens dat uit elkaar gehaald? Dat doet het brein! Die ziet de twee tegengestelde delen niet als eenheid omdat de mens zichzelf in een afgescheiden staat waarneemt. In het denkvermogen wordt eenheid als een probleem ervaren, die alleen opgelost kan worden door het te scheiden. Het Ik-bewustzijn is dermate door het verstand geprogrammeerd dat het geen weerstand kan bieden aan het individuele gevoel van lichaam en geest. Wie laat dit misverstand dan ontstaan? Dat doet het intellectueel deel van het verstand, een samenwerking van het zelfgericht bewustzijn met het denken. Het verstand creëert dus feitelijk het probleem wat in ons, bijna niemand uitgezonderd, als een noodzakelijke keuze wordt gezien. Het intellectueel vermogen wil immers dit of dat, meer of minder, veel of weinig. Je proeft als het ware het verschil met wat universeel is en wat niet.

Dit alles zorgt ervoor dat het tot een divergent verschijnsel herleid wordt, wat wij als werkelijk ervaren. In feite bestaat tegengesteldheid niet omdat het tegengestelde onderling met elkaar verbonden is. Het intellect besluit om een keuze te maken hoe het ingevuld moet worden. Dan wordt het een divergerend probleem, omdat de keuze tussen het een of het andere en de mate waarin het doorslaggevend wordt om het in een mening te kunnen verpakken. Een maand, een jaar of een decennium later kan dat ineens heel anders liggen. Dat tijd een factor is geeft te denken. De keuze is uiterst subjectief en relatief omdat het nooit leidt tot een absolute oplossing. In onze tijd worden deze tegengestelde waarnemingen tot een ongekende hoogte opgeklopt. Het is ook door de constante aanzwelling van het ego in ons maatschappelijk bestaan tot een steeds hoger niveau gekomen, wat ons allemaal onbewust beïnvloedt. Kijk maar eens naar de reclame bijvoorbeeld, die er vaak op inspeelt, want je bent wel stom om niet in te zien dat een pensioenpotje jouw toekomst veilig kan stellen of nog een, zoals in de politiek waar de deelnemers van alles beweren alsof de waarheid een absoluut begrip is en het de ander is die het allemaal fout ziet. Of een andere vorm van retoriek die stelt dat een oorlog noodzakelijk is om de rechtsstaat te beschermen. Maar als je bereid bent toe te geven dat standpuntkeuze feitelijk niet terzake doet omdat de polariteit van de tegenovergestelde delen inbegrepen is, dan is er geen probleem. Als je niet hoeft (wilt) kiezen bestaat er geen probleem.

In het hele universum is dualiteit dus een functionaliteit. Maar hoe werkt het? Het is belangrijk om te beseffen dat er een verschil bestaat tussen dualiteit en dualisme. Formeel is het fenomeen van de tegengestelde delen dualiteit en is het verschijnsel dat daaruit voortkomt het dualisme, de uitwerking daarvan. Dualisme ontstaat door wat het denkvermogen ons voorhoudt om dat wat van nature heel is ook te willen scheiden. Het is een gecreëerd probleem dat de mensheid overspoelt. De Wet van Een die zich overal manifesteert is in wezen geen dwingende optie. De mens moet zelf leren wat het is en hoe het daaraan wil conformeren. Een belangrijk onderdeel van het evolutionair leerproces. Het is een bewustzijnsaspect, dat wil zeggen dat tegenpolen in feite niet bestaan omdat ze niet te scheiden zijn. Er bestaat immers geen hoger zonder een lager, maar het intellectueel vermogen wil nu eenmaal ‘n dit of dat. Daarmee zijn de twee uitersten een probleem geworden en hoewel ‘het zelf’ begrijpt dat het in wezen niet bestaat, wordt de afscheiding die daarmee tot stand komt als werkelijk ervaren. Tegengesteldheid bestaat in feite niet want de zogenaamde tegenovergestelde delen zijn niet tegengesteld, omdat ze onderling verbonden zijn. Het verstandelijk vermogen besluit om een keuze te maken hoe en waar de keuze tussen het een of het andere moet worden bepaald. Dan wordt de mate waarin het tot een doorslaggevende mening of opvatting moet worden ingevuld van belang. Maar nog meer is dat de verschillende standpunten niet alleen meningsverschillen opleveren, maar dat het in potentie verder gaat in een overtreffende trap.

Er bestaat een klassiek verhaal dat precies aangeeft dat de polariteit een kwestie van standpunt is. Het is een prachtige oude metafoor die nog steeds geldig is. Een Indiase koning droomde dat alle bladeren van zijn favoriete boom waren afgevallen en zijn boom kaal was geworden. Hij ontbood een droomuitlegger die de koning vertelde dat hij al zijn familieleden zou gaan verliezen. Dat beviel de koning slecht en hij liet de droomuitlegger in de gevangenis gooien. De volgende nacht droomde de koning weer dezelfde droom. Een tweede droomuitlegger kwam en gaf te kennen dat de koning een prachtige droom gedroomd had en dat hij al zijn familieleden zou overleven. Dat was de koning zeer welgevallig en hij beloonde deze droomuitlegger goed.

Wat geeft dat aan? Dat je altijd meedoet aan het dualistisch gegeven. In het leven wordt polariteit niet zozeer aan je opgedrongen, maar het is een beleving waarin het brein denkt dat het een keuze moet maken. Er is feitelijk geen beweging tussen polariteiten, geen keuze is noodzakelijk en er bestaat ook niet het een of het ander. Het gaat rond omdat het een eenheid is. Helaas denkt de mens, zoals al gesteld in divergerende bepaaldheden, die vervolgens nogal vaak tot problemen leiden. Voor het brein is dat lastig te begrijpen omdat polariteit weliswaar een universele bepaaldheid lijkt te betreffen, maar in de noodzakelijke geaardheid van individualiteit de wisselingen van de tegengestelde polen niet als een bindende afhankelijkheid van elkaar wordt opgevat. Dan rest ons niets anders dan onze menig te geven, soms zelfs tot een conflict onvermijdelijk wordt. In het bestrijden van elkaar, tot aan oorlogen toe.

Dualiteit is wel degelijk het fundament van de tegengestelde polen die niet zonder elkaar kunnen bestaan. Onze zintuigelijke waarneembare werkelijkheid heeft zijn basis in de dualiteit. Immers als vloed op zijn hoogst is, wordt het eb. Het geeft aan dat het bestaan van dualiteit een vaststaand gegeven is, een staat waarin subject-object vormen in samenhang bestaan. Dus als de mens toegeeft aan de beweging die het brein aangeeft, laat het in beginsel de bestaande dualiteit los en ontstaat dualisme waarvan de uitersten aan de polariteiten reiken. Ons brein is in evolutionaire zin zo ontwikkeld dat het ons zelfbewustzijn kan manipuleren. Maar laten we dat toe? Kunnen we deze wurgconstructie veranderen? Dat kan, maar dat kost wat! Het verreist in de eerste plaats inzicht in de processen waaraan we zelf ongemerkt meewerken. Als we in een proces zitten wat een standpunt verlangt, worden we immers op sleeptouw genomen door een beweging tussen de polariteiten, wat uiteindelijk tot uitersten leidt, waar het conflict opdoemt! Wanneer we inzien wat het gevolg van de drang naar uitersten eigenlijk betekent, dat het een voortgang is van het niveau van eenheid naar het stadium van de tegengesteldheid. De Oosterse filosoof Ramesh S. Balsekar beschouwde dit fenomeen als een kosmische grap, omdat de mensheid door deze constante misleiding bij de keel gegrepen wordt, maar dat helaas niet opmerkt. Daarin had hij gelijk, omdat de mens in het bestaan moeilijk kosmische grappen accepteert, hoewel het zich wel laat foppen. Natuurlijk liet Ramesh het daar niet bij. Hij richtte zijn aandacht op de remedie die het proces van desindentificatie van het ego vertegenwoordigt, een noodzakelijk proces van bewustwording, om de gevolgen van het polariteitenconflict te ontmaskeren. Juist onze identificatie met het lichaam/geestcomplex, de ik-beleving, zorgt voor sterke verbinding met het dualisme. Zolang wij overtuigd zijn dat wij in een maakbare realiteit leven met rivaliserende groepen, is conflict ons deel. Als wij in staat zijn om het ego te neutraliseren, is de weg vrij naar evenwicht. Waar het besef doordringt dat het dualisme eigenlijk niet bestaat, kan het in onze ingeprente persoonlijkheid langzaam worden opgelost en vervalt tot dualiteit, wat tot samenbinding leidt oftewel tot een begrip die uiteindelijk tot harmonie komt.

Maar hoe werkt dat praktisch? Kun je je wel in het leven van het opgedrongen polariteitencomplex ontdoen? Dat is mogelijk, al zal het voor de mens die afgaat op wat zijn verstand hem voorschotelt, behoorlijk lastig zijn. Alles wat immers aan keuzen onderhevig is, veroorzaakt allemaal inbreuk op je geestelijk evenwicht en dat kan extreem zijn. Een andere Oosterse filosoof, Nisargadatta Maharaj verwoordde het zo: “Als denken (en voelen) het heft in handen neemt, varen we op het kompas van herinnering en verwachting die door het ego wordt aangejaagd. Maar het ego is destruktief van aard. Uit de uitersten van het leven, zoals angst en verlangen, wordt woede geboren, uit woede haat, en uit haat de hartstocht om te vernietigen. Oorlog is haat in aktie, uitgerust met het volledige instrumentarium van de dood”.

In het leven dat wij leiden, ervaren we herhaaldelijk hoe verschillende geconditioneerde standpunten het leven negatief beïnvloeden. Verandering is altijd lastig omdat het brein dat als een bedreiging ziet. We kunnen het niet bestrijden, omdat het een nieuw conflict oplevert. Maar we kunnen wel gaan inzien dat we dit fnuikende systeem van onevenwichtigheid kunnen doorbreken, met andere woorden we zullen het proces van dualisme, het denken in opgedrongen bepaaldheden moeten stoppen. We zullen dan de actieve toestand van oordelen moeten opheffen. Dat oordelen, wat een exponent van het geconditioneerde verstand is, wordt door inzicht naar een bewustzijnsvorm geleid en wat naar een langzame inactieve factor groeit.

Laat het ego los, luidt de stelling, maar kan dat wel? Ramesh Balsekar stelt dat daar tegen vechten geen zin heeft. Het is immers een onderdeel van je indentiteit en dat kun je niet zomaar weglaten. Vecht er daarom niet tegen, maar besteed er geen aandacht aan, want dan kwijnt het weg! Laat het geen verbinding aangaan met het verstandelijk vermogen. Laat het geen inbreng hebben in het bestaan wat je leidt. Negeer het en laat de dwangmatige behoeftes achter je. Het gevolg is dan opzienbarend, omdat het onderscheid tussen het ik en het andere deel van de mensheid, wat een negatief effect sorteerd, dat het mechanisme van polariteit in werking zet, eigenlijk een kans biedt om tot een eenheid met Wat Is te komen. Het genoemde inzicht laat eveneens zien dat het persoonlijke standpunt altijd een compilatie is van de aan levensomstandigheden vastgehaakte keuzen en de geconditioneerde bepaaldheden die gerelateerd zijn aan het leven in illusie. 

Het inzicht betekent in de eerste plaats een begrip ontwikkelen van wat de illusie van het leven inhoudt en het zoeken naar kennis een behoefte wordt om de waarheid van het bestaan te ontdekken en te implanteren. Daar is het inzicht voor nodig wat je laat begrijpen dat al je behoeftes, verlangens en allerhande geluksaspekten niet in het aardse liggen. Zolang je dit niet aanvaard en niet bereid bent om de verslavende werking van de illusie op te geven, is iedere zoektocht naar het geluk op de onjuiste veronderstellingen gegrondvest. De genoemde Nisargadatta Maharaj was daar zeer stellig in. Ruim eerst je ‘eigen rommel’ op, je nepomstandigheden, veronderstelde geluksmomenten, omringd door een mega van materiele omgevingsfactoren. Je vergroot niet andermans rootzooi uit als je zelf door van alles in de tang genomen wordt. Daarom veel succes met je afbreken van je wereldbeeld!

 

 

Blog 50 (08-05-2024)

 

Van onderscheidende gelijkheid

 

Om de overbekende uitspraak van Rene Descartes nog maar eens aan te halen die stelde: “Ik denk, dus ik ben”, moest dit denkbeeld, de toenmalige mens ten tijde van de Verlichting, overtuigen van zijn staat als lichamelijk object met een persoonlijk hersenapparaat. Veel mensen denken dat het klopt, omdat wat het bestaan inhoudt alleen door het denken kan worden bevestigd.

Overigens hadden de Grieken al bedacht dat het wereldbeeld van Mythos alleen niet voldoende was en zochten naar verklaringen die de Logos (de rede) moest aanreiken. Een gevolg van de ontwikkeling van het bewustzijn om naar antwoorden te zoeken die in het intellectueel vermogen tot een acceptabel begrip kon komen. De Griekse filosofen kenden ook de wijsheden uit het Oosten, zodat hun leerstellingen met kennis over het hogere bestaan werden vermengd.  De uitspraak van Descartes lijkt een enorme stap voorwaarts maar wijkt niet zoveel af, in zoverre dat de Oude Grieken meenamen dat de mens ook door het hogere beïnvloed kon worden. Voor Descartes betekende het niet veel zodat zijn uitspraak suggereert dat wat de mens is, uitsluitend bepaald wordt door de hersenactiviteit, functionerend in een lichaam van vlees en bloed. Sinds die tijd hebben wij een vreemde verhouding met die twee delen ontwikkeld, omdat wij onze persoonlijkheid, wie wij zijn, sterk identificeren met ons lichaam en dat met ons denken beredeneren of omkleden. Als dat waar zou zijn, zou de mens na zijn verscheiden van deze aarde opgelost zijn in de stoffelijkheid van de materie. Voor de mens die dat denkt klopt het ook, want de werkelijkheid is immers een idee-fix. Het is daarmee ondergebracht in wat je wil geloven en is het een beweging geworden in het denken die de mens door zijn verbeelding schept, maar die niet werkelijk is, als je het wezenlijke bestanddeel erbij haalt. Nog even terug naar Descartes.

Wat de twee delen ‘Ik denk, dus Ik ben’ beslaat, is eigenlijk maar een klein gedeelte van wat het zogenaamde werkelijke bestaan van de mens inhoudt. Daarmee heeft Descartes de mensheid, zonder het te beseffen, met een enorme onevenwichtigheid opgezadeld. Anderzijds kun je ook stellen dat het een geval van een gebrek aan de menselijke behoefte om te weten ligt dat we deze stelling nog steeds voor waar aannemen. De mens had in die tijd, in de aanvang van het afkeren van de religie, grote behoefte aan een soort vervangende duiding, omdat religie de mens in het oude westen niet aan een wezenlijk inzicht in het bestaan had geholpen. Het bewustzijn en daarmee de filosofie ontwikkelde zich in deze opkomende aandrang naar de rede, het verstandelijk apparaat of intellect. Daarmee werd verondersteld dat de mens slechts uit twee delen bestaat. Dat is in spirituele zin een slechte inschatting van hoe de mens in totaliteit functioneert. Bovendien wordt met deze uitspraak een vooringenomen gedachtevorm gelanceerd, namelijk dat het bewijs wordt geleverd dat het verstand de basis is waaruit je het bestaan kunt realiseren. Echter de stelling ‘Ik denk dus Ik ben’ suggereert wel dat het een uit het ander voortkomt, maar het is hooguit een merkwaardige grap omdat het aan alle kanten mank loopt. In de tijd waarin Darwin zijn evolutietheorie had gelanceerd, was het wellicht een aannemelijke gedachte. Maar nu is het toch moeilijk aan te nemen, dat na de kennis van de huidige kwantuminzichten zulke simplistische denkbeelden nog voortgang hebben. Toch is dat niets van dat alles, slaafs wordt deze filosofische stelling nog steeds door grote gemeenschappen als waar aangemerkt.

De suggestie die in deze taalvorm zit, het woordje dus, is geenszins een opvatting waarin gelijkheid (gelijktijdigheid) zich voordoet, zoals de natuurkunde het naar voren brengt, omdat het door de suggestieve verbindende relatie door middel van taal het tot een geheel lijkt te worden samengevoegd. Het subject (Ik Denk) wordt tot het denkbeeldig object (Ik ben) verheven. De suggestie is dat de twee delen samenvallen, zodat het subject wordt opgeheven, maar het subject (ik denk) wordt niet door het object (ik ben) opgeheven want ik ben is wel degelijk een subject; het een komt naderukkelijk uit het andere voort. Dat het zo een gefingeerd beeld oplevert, blijkt wel, want het is immers in veel andere gevallen ook zo, ‘Ik neem waar, dus Ik ben’, of ‘Ik begrijp, dus Ik ben’ etc. Door het denken, als de voorgestelde activiteit van het menselijke bestaan op de voorgrond te plaatsen, wordt het idee opgeroepen dat het brein daarvoor bepalend is. Voor de hedendaagse mens is dat een vaststaand gegeven omdat het de denkende mens laat ontstaan in een door het intellect ondersteunde werkelijkheid.

Waarom stel ik de beoordeling van het denken in deze stelling zo centraal? Dat is omdat de impact, zoals gezegd, een groot gevolg had en de mens ondergedompeld hield in een veronderstelling dat de componenten lichamelijkheid en intellect, in een totaalbeeld van het functionerend menszijn voorzag. Een staat die de mensheid in de hoogste positie van zijn natuurlijke omgeving positioneert. Dat we nu wel beter kunnen weten, laat ernstig zien dat de psyché van de mens met deze stelling, door de ontkenning van andere aspecten die in het menszijn, de bron van zijn afkomst, zijn natuurlijke omgeving, verborgen zitten, niet uit de voeten kan.

Maar wat als “Ik ben”, de persoonlijke werkwoordsvorm van de totaliteit van Hoger Bewustzijn toont, waarmee het Zijn, in de Hogere betekenis van het bestaan wordt bedoeld. Dat gold voor Descartes niet, maar wel voor de Oosterse filosoof die geen behoefte had om het intellect als subjectieve uiting van het persoonlijke te sublimeren in zijn natuurlijke staat. In tegendeel, het ‘Ik denk’ wordt als een enorm obstakel gezien die de mens in voortgang van de evolutie moet zien te overwinnen. In de oude Indiase opvattingen wordt ‘Ik ben” niet als een representante van het denken gezien, maar een staat waarin het bewustzijn op een hoger niveau de connectie maakt met Alles wat is. In deze staat is het Ik, als zelfbewuste persoonlijkheid losgekomen van het zelfreferentiele bewustzijn; losgekomen van het ego, wat nu eenmaal verankerd is in het denken.

De Oosterse filosoof Nissargadatta Maharaj, laat in het boek “Ik ben” zien dat Bewustzijn puur en onvermengd is, dus het Absolute raakt. Het wordt vervalst als het opgedeeld wordt, als we denken of zeggen: “ik ben dit, ik ben dat”. Maar je bent noch uitsluitend lichaam, noch uitsluitend geest en als dat tot je doordringt kan je leven alleen een spoor volgen naar  de bron van Zijn. Als je die waarheid volgt, doe je wat er gedaan moet worden en als je de verbeelding van je eigen zelf achter je laat, dan ontstijg je bovendien de fixatie van je dwangmatige behoeftes, zelfs allerlei zogenaamde spirituele gedachtepatronen.

Dat deze wijsheden nog eigen gemaakt moeten worden om tot een hoger niveau van bewustzijn te komen, geeft de huidige staat van evolutie waarin we existeren aan; hoe door de sterke relatie met onze lichamelijkheid het gevoel van persoonlijk individu ontstaat. Wij koppelen die delen tot een eenheid die in onze misvatting tot grote hoogte kan of zelfs moet stijgen. Want immers ik denk, is een subjectieve uiting van een op zichzelf staand object, het totaal van het menselijk apparaat, wat in de gedachte van het maakbare immers tot zelfoverschatting neigt. Dat laat zien dat, overeenkomstig wat de alreeds aangehaalde existentialist Sartre met de zelfreferentie bedoelde, de ervaring van het zelf, die een beleving en een inschatting maakt die niet werkelijk is, omdat het een schijnbare vorm vertegenwoordigd, een hersenschim die bestaat zolang het in die staat wenst te blijven (zie vorige blog). Dat is de vorm die verbonden is met ons verstandelijk vermogen, dus onze geest. Voor Descartes is het ik (denk) de enige waarborg voor bewustzijn. Zeker er is meer, kennis van cogito is alles wat het ik, in de opvatting van Descartes, het bewustzijn, de ziel, alles op een hoop, de denkende substantie is, wat op een of andere manier weerspiegelt wordt in het bewustzijn. Het bewustzijn, bedacht hij, is een substantie dat geheel op zichzelf bestaat, waarvan  de eigenschap uitsluitend bepaald wordt door wat in het denken ontstaat. Maar het denken is niet de eigenschap van het bewustzijn, al wordt het intellect, als de zelfreferentiele exponent aan het zelf verbonden zodat het de indruk wekt dat het een eenheid vormt met onze persoonlijkheid. Echter het bewustzijn is een nog niet bewuste (gekende) deel van het Absolute Zijn, wat het allesomvattende, de grootsheid van het universum omsluit en pas op een hoger niveau zichtbaar wordt. Dat onderscheid van een hoger niveau van bewustzijn, was voor hem geen betekenisvolle aangelegenheid. Het bewustzijn voltrekt zich voor Descartes uitsluitend in het denken of in de taal, wat voor hem een uitingsvorm van het denken is. En dat is precies het aspect (verwevenheid van denken en taal) dat door Wittgenstein weer anders benadrukt wordt, namelijk dat hij niet uitgaat van een afgesloten denken waarin taal zich uitdrukt, maar dat vanuit de beperktheid die het denken bezit, een uitzicht kan ontstaan van wat zich in het bewuste en tegelijk in het onbewuste bevindt, zodat de taal meer wordt dan een creatief samenspel.

Wat zich in gelijktijdigheid, als we die term van de natuurkunde overnemen, een vorm van verstrengelde hiërarchie, voordoet is enerzijds de vaststelling van de kenmerkende afhankelijkheid (structuren in het breintype) die zich in het lokaal bewustzijn primair voordoet, maar anderzijds in een andere lokaliteit, waar het Zijn zijn uitdrukking in vindt, in het onbegrensd bewustzijn waarin beide polen, object en subject niet aanwezig zijn omdat daar de wet van Een geldt. Echter, omdat het lokale bewustzijn zich meestal vereenzelvigt met een van de polen die in het dualisme voordoen, ontstaat de afgescheidenheid van de ander, waardoor de mens zichzelf als afgesloten ziet van de objectieve bepaaldheden van zijn ervaring en zijn medemens. Daaruit ontstaat eveneens de vorm van zelfbevestiging dat door het ego zo nadrukkelijk wordt gezocht, wat vrijwel constant en overal om ons heen tot uitdrukking komt.

Door de gelijktijdigheid van de polen kunnen deze krachten worden opgeheven. Dat lijkt een contradictie, maar daarin ontstaat wel de mogelijkheid om de ervaring van eenheid te ondergaan zonder dat het de noodzaak voelt zich aan het subjectieve te hechten. Als de mens zijn dualistische normering los kan laten en op een hoger niveau van bewustzijn wil komen, zal het zich in een toestand van gelijktijdigheid moeten brengen door meditatie, zelfonderzoek, kennisoverdracht, bewustzijnsverruiming of een andere transcendente inbreng. Daarin wordt het denken eerder als een obstakel ervaren die alleen door sterke inperking tot het ware ‘Ik ben’ komt. Dat is de staat van Zijn, wat de absolute staat van bewustzijnsontwikkeling weergeeft, wat geen aandeel in de tweedeling kan betekenen.

Het Zijn, was vanaf de Griekse Oudheid, wat in de traktaten van Heraclitus en Parmenides weerspiegelde tot en met de al genoemde Heidegger die het ‘Dasein’ noemt, oftewel het erzijn, dat een centraal thema in zijn werk werd, het zoeken naar de reden van bestaan en het daarin functioneren van de mens betekende. Het bestaan, wat in zijn ogen nooit in balans komt omdat de mensheid de vrijheid niet werkelijk kan ontplooien, het een zoektocht wordt om het loskomen van de onevenwichtigheden in het leven te kunnen hanteren en er een onderzoek naar het Zijn in het alledaagse leven in zag, zoals het bestaan zich als fenomeen voordoet. Pas aan het einde van zijn leven ontdekte hij de relatie met de hogere bestaansgrond, door het Goddelijke als ontbrekend element te aanvaarden en de zucht naar macht van de mensheid als een drang zag die hem wegvoert van het enige ware.

De essentie is dat we het als een diepere ervaring kunnen meemaken, soms op een simpele manier, bijvoorbeeld wat we in een flits ervaren als we hoog in de bergen met een groots uitzicht onze nietigheid begrijpen; een moment van inzicht die we ook een moment van diepe realisatie kunnen noemen, omdat we in ons vluchtige leven maar zelden zo sterk door een hoger besef gegrepen worden. Onze behoefte richt zich om te ‘worden’, iemand van betekenis te zijn, wat constant afleidt van onze wezenlijke staat van Zijn, zodat we het gejakker als normaal gaan ervaren. De ervaring van Zijn is door het denken op de achtergrond geraakt, maar als we dat tenminste toelaten, geeft het een kenmerkend ogenblik van verstilling en een zicht op de essentie van het bestaan, wat je een korstondige ontmoeting met je Ik Ben zou kunnen noemen.